| Coenraad
werd in Piacenza geboren aan het einde van de dertiende eeuw, rond het
jaar 1290. Hij stamde uit een adellijk geslacht. Veel had hij met het
geloof niet op zich en hij verdeed zijn tijd liever met aardse zaken. De
jacht was een van zijn grootste bezigheden en toen hij eens een edelhert
in het kreupelhout gejaagd had stak hij het bosje in brand waardoor een
groot deel van het woud in vlammen opging. Snel had men een dader gevonden
in de vorm van een oude zwerver. De man werd ter dood veroordeeld.
Coenraad kreeg wroeging en melde zich als de aanstichter van deze ramp.
Als straf (hij was adellijk) moest hij alle schade terugbetalen. Zijn
vrouw trok zich terug in een Clarissenklooster en Coenraad sloot zich aan
bij de Derde orde van St.Franciscus. Zijn wens was kluizenaar te worden.
Dit was in zijn geboortestreek niet mogelijk en daarom vertrok hij naar
Sicilie. Daar kreeg hij van een plaatselijke priester te horen dat hij
geen kluizenaar moest worden maar moest gaan zorgen voor zieken en
stervenden. Dat was zijn taak. Zijn belofte gestand doende deed hij vele
jaren de zieken en stervenden bijstaan totdat hij zich mocht terugtrekken
in de wildernis om als kluizenaar verder te leven. Hier verkeerde hij de
laatste jaren van zijn leven en voelde zich geheel een met Gods natuur.
Geregeld werd hij door de priester uit Noto bezocht voor het ontvangen van
de sacramenten. Eens in het jaar 1351 vroeg hij de priester om hem op een
bepaalde dag te bezoeken. Toen hij ter plaatse verscheen, lag Coenraad
dood voor het kruisbeeld in zijn onderkomen. |