18 februari  Coenraad, kluizenaar en belijder
Coenraad werd in Piacenza geboren aan het einde van de dertiende eeuw, rond het jaar 1290. Hij stamde uit een adellijk geslacht. Veel had hij met het geloof niet op zich en hij verdeed zijn tijd liever met aardse zaken. De jacht was een van zijn grootste bezigheden en toen hij eens een edelhert in het kreupelhout gejaagd had stak hij het bosje in brand waardoor een groot deel van het woud in vlammen opging. Snel had men een dader gevonden in de vorm van  een oude zwerver. De man werd ter dood veroordeeld. Coenraad kreeg wroeging en melde zich als de aanstichter van deze ramp. Als straf (hij was adellijk) moest hij alle schade terugbetalen. Zijn vrouw trok zich terug in een Clarissenklooster en Coenraad sloot zich aan bij de Derde orde van St.Franciscus. Zijn wens was kluizenaar te worden. Dit was in zijn geboortestreek niet mogelijk en daarom vertrok hij naar Sicilie. Daar kreeg hij van een plaatselijke priester te horen dat hij geen kluizenaar moest worden maar moest gaan zorgen voor zieken en stervenden. Dat was zijn taak. Zijn belofte gestand doende deed hij vele jaren de zieken en stervenden bijstaan totdat hij zich mocht terugtrekken in de wildernis om als kluizenaar verder te leven. Hier verkeerde hij de laatste jaren van zijn leven en voelde zich geheel een met Gods natuur. Geregeld werd hij door de priester uit Noto bezocht voor het ontvangen van de sacramenten. Eens in het jaar 1351 vroeg hij de priester om hem op een bepaalde dag te bezoeken. Toen hij ter plaatse verscheen, lag Coenraad dood voor het kruisbeeld in zijn onderkomen.