× 

Klik in dit venster op
http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.
Sluit het venster om te blijven.

 m Contact
Andreas 
WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamenMeer...     

† 287  Valerius van Soissons met Rufinus 


Info afb.

Valerius van Soissons, Frankrijk; martelaar met Rufinus; † 287.

Feest 14 juni.

Valerius en Rufinus waren Romeinse soldaten in dienst van het legioen dat gelegerd was te Bazoches. Zij hadden de opdracht de graanvoorraden te bewaken die bestemd waren voor het keizerlijke hof in die plaats. De beide jongemannen waren christen en het schijnt dat ze stilaan het vertrouwen van de plaatselijke bevolking wisten te winnen, zodat zich een aantal inlanders lieten dopen.

Daaraan kwam een einde, toen de beruchte prefect Rictiovarus verscheen. In opdracht van keizer Maximianus-Hercules (285-305) was hij vast voornemens het christendom met wortel en tak uit te roeien. Valerius en Rufinus wachtten de moeilijkheden niet af. Zij vluchtten de naburige bossen in en hielden zich schuil in dichtbegroeide doornstruiken, vastbesloten te wachten tot de dreiging voorbij zou zijn. Maar de prefect had gehoord dat de twee christen waren. Hij zond zijn mannen erop uit om hen op te sporen. Ze werden gevonden en geboeid met loodzware kettingen voor de prefect geleid.

"Rufinus en Valerius, vroeg de prefect, welke god aanbidden jullie?"

Zij antwoordden: "Wij aanbidden één God; Hij is almachtig, onveranderlijk, eeuwig, schepper van alle zichtbare dingen; Hij vervult alles en regeert over alles. En in Jezus Christus, hersteller van alwat er in de hemel en op aarde is. En wat die andere goden betreft: zij zijn bedacht door mensen en door vaardige kunstenaarshanden gemaakt uit materialen die verslijten, net als die goden zelf. Kortom: die aanbidden wij niet! Onze God bestond voor alle eeuwen. Hij gaat niet voorbij en is niet onderhevig aan slijtage: Hij blijft eeuwig in zijn volheid dezelfde; altijd eenvoudig, eenvormig, duurzaam, volmaakt. Door zijn Woord is de wereld met al haar schoonheid tot stand gebracht. En door zijn Geest is elk schepsel tot bestaan geroepen. Hem brengen wij elke ochtend een offer van lof en van een berouwvol hart."

De prefect sprak: "Onze onoverwinnelijke vorsten bevelen u een bijgeloof te verlaten dat van u vraagt een gekruisigde God te vereren. In zijn plaats dient u zich te buigen voor de goden van het Romeinse Rijk. Het is immers een misdaad om de godsdienst van de voorouders te verlaten; terwijl het juist die godsdienst is die het Rijk heeft groot gemaakt, het leiding geeft en beschermt. Het is dus een misdaad die godsdienst uit lichtzinnigheid te verruilen voor kinderlijke waandenkbeelden."

Rufinus en Valerius gaven ten antwoord: "Wij schamen ons niet voor het kruis van Christus. Het heeft de wereld redding gebracht. Ook schamen wij ons niet voor degene die door zijn dood aan de wereld nieuw leven heeft gegeven."

En vervolgens wijdden zij uit over de geheimen en de weldaden van het geloof. Vurig van hart spraken zij over de verlossing van de mensen, over de nieuwe godsdienst, over de belachelijkheid van de valse goden, over de wandaden en schandelijkheden die hun door hun heidense vereerders worden toegedicht, over het feit dat hun daden in tegenspraak zijn met de moraal die door hun eigen filosofen wordt geleerd, de nutteloosheid van de afgodsbeelden en de onmacht van de goden.

"Nu heb ik wel lang genoeg al die aantijgingen van u tegen onze goden moeten aanhoren" riep de prefect uit. "Als u niet gewoon het bevel van Augustus opvolgt en offert, zie ik mij genoodzaakt u aan folteringen te onderwerpen."

Daarop liet hij ze weer in de boeien slaan en naar de gevangenis terugbrengen, met de bedoeling dat ze daar tot betere gedachten zouden komen. Maar hij kwam bedrogen uit. Want de beide gelovigen waren blij dat ze deel kregen aan het lijden van Jezus Christus; en ze riepen dat hun zogenaamde loodzware ketens wogen als lichte veertjes.

De volgende morgen liet de prefect hen weer voor zich verschijnen. En hij probeerde het nog een keer met zoete broodjes: "Heus, Valerius en Rufinus, zodra je offert aan onze goden Jupiter en Mercurius, Diana en Venus, zal ik je overladen met bergen goud en zilver. Je zult de hoogste posities aan het keizerlijk hof mogen bekleden."

Maar zij riepen terug: "Mogen uw zilver en goud met u zijn in de hel! Daar moeten ze het maar in vloeibare toestand bij u naar binnen gieten. Daar zult u uw vader, de duivel, in de eeuwige vlammen zien branden. Maar wij: niemand zal ons scheiden van Christus en zijn genade."

Verontwaardigd beval Rictiovarus hen op het schavot vast te binden en hen een afstraffing toe te dienen met zwepen met loden kogeltjes. Tijdens deze foltering riepen de beide martelaars: "Talrijk zijn de beproevingen van de rechtvaardigen, maar de Heer zal hen eruit verlossen. Hij waakt erover dat hun geen been gebroken zal worden."

Hoe meer zij zulke dingen riepen en standhielden, hoe wreder de folteringen van de prefect moesten worden. Hij spoorde zijn beulen aan met alle kracht die er maar in hun armen school, de slagen toe te dienen, zodat uiteindelijk bij de slachtoffers de botten door het verscheurde vlees zichtbaar werden en hun adem nog nauwelijks was waar te nemen. Vervolgens gaf hij opdracht hen los te maken en naar de gevangenis terug te brengen tot hij nieuwe gruwelijkheden zou hebben bedacht.

Teruggekeerd in hun gevangenis zongen ze Gods lof en riepen zij zijn hulp in. Daarop verscheen hun een engel die hen troostte met de woorden: "Valerius en Rufinus blijft manmoedig overeind. Onze meester staat klaar jullie op te nemen in de rijen der martelaars. Daar zul je de kroon opgezet krijgen, die hij voor je in petto heeft; ik zal hem je laten zien." Terwijl hij nog sprak plaatste hij hun een kroon op het hoofd: prachtig, schitterend en oogverblindend.

De volgende morgen liet Rictiovarus hen weer vóórkomen. Tot zijn verbazing zag hij hoe er een blos op hun wangen was verschenen en hoe hun lichamen fris blaakten van een perfecte conditie. Maar in plaats dat hij op het idee kwam, dat dit te danken was aan hun God, meende hij dat er tovenarij in het spel was. Hij liet hun de handen op de rug binden en achter zich aanslepen. Zo legden zij een flinke afstand af tot zij gekomen waren bij een plaats die Quincampoix heette. Daar liet hij hen het hoofd afslaan.

Verering & Cultuur

Toen de christenvervolgingen voorbij waren, bouwde men ter ere van hen een kerk in Bazoches. Daar werden hun relieken plechtig bijgezet.

Uit vrees voor de invallen van de Noormannen werden ze in de 9e eeuw eerst overgebracht naar Reims en toen naar Soissons. Toen het gevaar was geweken, kwamen ze weer terug naar Bazoches. Aan het begin van de 17e eeuw werden ze overgebracht naar de St-Étiennekerk in Soissons; in 1617 gingen ze naar de kathedrale kerk.

Zij staan te boek als patroonheiligen van de plaatsjes Bézu-le-Guéry, van Coulonges, Loupeigne, Vierzy en Vregny; alsmede van Braine, van de Mont Notre Dame, van Paars en Sermoise.

[Bri.1953; Rge.1989; Rgf.1991; Gué .1880/7p:3; Dries van den Akker s.j./2004.04.14]

Bronnen

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 23 nov 2014

VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?Verantwoording afb.BronnenWoordenboekGastenboek
Ook interessant: www.beeldmeditaties.nl