× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 307  Marina van Silena

Marina van Silena (ook van LybiŽ), LybiŽ; prinses & martelares; Ü 307.

Feest 13 juli.

Zij is de koningsdochter uit de legende van Sint-Joris en de draak.

Legende: Sint Joris en de Draak

Ridder Georgius stamde oorspronkelijk uit een Kappadocisch geslacht. Eens kwam hij in de stad Silena in LybiŽ. Dichtbij die stad lag een meer dat zowat de afmetingen van een zee bezat. Er woonde een giftige draak in. Die was er al vaker de oorzaak van geweest dat het hele volk op de vlucht geslagen was, telkens als het probeerde hem met wapens te bestrijden. Dan kwam hij tot vlak onder de muren van de stad en verpestte alles met zijn giftige adem. Vandaar dat de burgers hem elke dag twee schapen voerden; dat stilde zijn woede een beetje. Anders kwam hij onder de muren van de stad de lucht met zijn giftige adem verpesten; en daar gingen heel wat mensen aan kapot. Maar van lieverlee waren er steeds minder schapen in de omgeving te vinden. In arren moede kwam men met elkaar overeen dat men het ondier elke dag een schaap en een mens te vreten zou geven. En zo wierp men telkens het lot om te zien welke man of vrouw vandaag weer aan de draak opgeofferd moest worden. Niemand kon zich daaraan onttrekken. Toen zo'n beetje alle zonen en dochters van de stad aan het beest ten offer gevallen waren, viel het lot op de enige dochter van de koning, prinses Marina. Nu was zij dus aan de beurt om de draak voorgezet te worden. Dit stemde de koning intens verdrietig en hij zei: "Hier heb je al mijn goud en zilver, en de helft van mijn koninkrijk erbij, maar laat mijn dochter ongemoeid; ik wil niet dat zij op zo'n tragische manier aan haar eind komt." Toen werd het volk witheet en ze riepen: "Majesteit, u hebt destijds dit gebod zelf uitgevaardigd. Wij hebben intussen haast al onze kinderen verloren. En nu wilt u uw dochter sparen? Dan moet u het zelf maar weten. Als u uw eigen afspraken in haar geval niet nakomt, zullen wij u levend verbranden en uw hele huis erbij!" De koning zag hoe serieus zij het meenden en begon zijn dochter te bewenen met de woorden: "Wee mij, mijn kind, wat moet ik? Ik zou niet weten wat ik tegen je zeggen moest. Nooit zal ik getuige mogen zijn van je huwelijk." En tot het volk sprak hij: "Ik vraag jullie nog om ťťn gunst: dat ik acht dagen de tijd krijg om haar te bewenen." Dat vonden ze goed. Maar precies op de achtste dag kwam het volk weer voor zijn huis samen en schreeuwde woedend: "Waarom stort u uw eigen land in het verderf omwille van uw dochter? Want wij houden de lucht van die draak niet meer uit!" De koning besefte dat er voor zijn dochter geen redding meer was. Hij liet haar koninklijke gewaden aantrekken, omhelsde haar innig en sprak onder tranen: "Mijn allerliefste, arme dochter: ik had gehoopt dat er koninklijke kleinkinderen uit jouw schoot geboren zouden worden. In plaats daarvan word je door een draak verslonden. Ik had gehoopt de edelste vorsten te kunnen uitnodigen op jouw bruiloft, het kasteel met de mooiste edelstenen te doen flonkeren, trompetten en bazuinen te doen klinken. Maar in plaats daarvan vertrek je met stille trom en word je door een draak opgevreten." Hij kuste haar en riep: "Ach mijn meisje, het liefste was ik in jouw plaats gestorven. Dat ik je nu zo moet verliezen!" Daarop viel zij voor haar vader op de knieŽn en vroeg hem zijn vaderlijke zegen. Hij gaf hem haar onder tranen. Daarop begaf zij zich naar het meer.

Juist op dat moment kwam Sint-Joris langs die weg aangereden. Hij vroeg haar waarom ze zo moest huilen. Zij antwoordde: "Beste jongeman, ga er vlug vandoor, anders zul je nog met mij je verderf tegemoet gaan." En Joris weer: "Wees maar niet bang, lief kind, maar zeg liever, waarop je hier onder de ogen van heel het volk staat te wachten." Zij antwoordde: "Heer, ik zie dat u een goed hart hebt. Maar u wilt toch zeker niet met mij hier sterven? Ga er daarom vlug vandoor." En Joris weer: "Ik ga niet eerder hier vandaan voordat ik weet wat er met je aan de hand is." Daarop vertelde zij hem het hele verhaal. Toen zei hij: "Lief kind, wees niet bang. Ik zal je helpen in de naam van Christus." Ze zei: "Beste ridder, ik wil niet dat je met mij sterft. Dat ik verloren ga, is al erg genoeg. Je kunt me niet redden; je kunt hooguit mee ten onder gaan." En terwijl zij daar nog met elkaar spraken, stak de draak opeens zijn kop boven het meer uit. Het meisje bibberde van angst en riep: "Toe nou, beste man, vlucht zo snel als je kunt." Maar Joris sprong op zijn ros, maakte een groot kruisteken voor zich en reed de draak tegemoet die al op hem afstevende. Hij hief de lans uit alle macht en vertrouwde zich intussen aan God toe. De klap met de draak kwam zo hard aan dat hij op de grond viel. Daarop sprak hij tot het meisje: "Neem je ceintuur en gooi die om de hals van dat monster. Je hoeft nergens bang voor te zijn!" Dat deed ze en de draak kwam haar achterna als een mak schoothondje. Toen ze zo de stad binnen kwam wandelen, raakte het volk in paniek en vluchtte alle kanten op naar bergen en spelonken. Ze riepen: "Wee ons, nu zijn wij allemaal verloren." Maar Sint Joris zwaaide naar hen en riep: "Je hoeft niet bang te wezen, want God de Heer heeft mij naar u toe gestuurd om u van deze draak te verlossen. Je hoeft alleen maar in Christus te geloven en je allemaal te laten dopen. Alleen dan kan ik de draak verslaan." Toen liet de koning zich dopen en met hem de hele bevolking. Sint Joris trok daarop zijn zwaard en doodde de draak. Vervolgens beval hij het beest uit de stad weg te doen. Er waren vier span ossen voor nodig om het naar een grote vlakte voor de stad te slepen. Die dag werden er wel twintigduizend mensen gedoopt, vrouwen en kinderen nog niet meegerekend.

De koning liet ter ere van de Heilige Maagd en van Sint Joris een kerk bouwen. Op het altaar borrelde een bron van levend water op. Die maakte alle zieken die ervan dronken, weer gezond. De koning bood aan Sint Joris ongelooflijke schatten aan. Maar hij wilde er niets van weten en liet ze onder de armen verdelen. Hij drukte de koning nog vier dingen op het hart: dat hij voor de instandhouding van de kerk zou zorgen; dat hij de priesters altijd met hoogachting zou behandelen; dat hij aandachtig de mis zou bijwonen en nooit de armen zou vergeten. Daarop kuste hij de koning ten afscheid en vertrok.

[183]

Zij zou ten tijde van de vervolgingen onder keizer Diocletianus ergens in het oosten de marteldood gestorven zijn.

[140]

Soms wordt zij vereenzelvigd met de grote martelares Marina (in het westen Margareta van AntiochiŽ: feest 20 juli), die immers ook altijd wordt afgebeeld met een draak bij zich.


Bronnen
[Lin.1999]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen