× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1546  Petrus Faber

Info afb.
Onder: Mobiel

Petrus (ook Pierre) Faber (ook Favre) sj, Rome, Italië; priester & theoloog; † 1546.


Feest 1 (Romeins Calendarium) & 2 (bij de Jezuïeten) & 3 (Savoyardse bisdommen Annecy, Chambéry, Maurienne en Tarentaise) & 8 (bisdom Spiers) & 9 (bisdom Mainz) augustus.

Pierre werd geboren in 1506; hij was afkomstig uit het gehucht Villaret in Savoye, waar zijn ouders eenvoudige herders waren. Zelf schrijft hij: ‘Toen ik zo'n tien jaar oud was, had ik graag willen doorleren. Maar ik was maar een gewone herdersjongen en mijn ouders hadden een maatschappelijke carrière voor ogen. Als ik alleen was, huilde ik van verlangen om naar school te mogen.’ Uiteindelijk kon hij naar een naburig dorpsschooltje. Hij was zo begaafd dat hij het in 1528 klaarspeelde om in Parijs aan de universiteit te gaan studeren. Daar deelde hij de kamer met Franciscus Xaverius uit Navarra († 1552; feest 3 december); een jaar later voegde zich de Bask Ignatius van Loyola daarbij († 1556; feest 31 juli). Hij schrijft: ‘Op mijn drieëntwintigste werd ik doctoraalstudent in Parijs. In de drie en een half jaar daarna werd ik naar ziel en lichaam overladen met genadegaven. Met name mijn docent en zijn kamerstudenten: vooral Franciscus Xaverius. Het jaar daarop voegde Iñigo [= Ignatius van Loyola] zich daarbij. Wat een zegen was die ontmoeting voor mij.’

Zo behoorde hij tot de eerste tien paters, die in 1534 rond Ignatius van Loyola in Parijs hun geloften aflegden. Hij was op dat moment de enige priester van het stel. Hij fungeerde als hun geestelijk leidsman.

[F&I.1991p:264].

Na beëindiging van hun studies trekken ze met zijn tienen naar Venetië om van daaruit naar het Heilig Land te gaan met de bedoeling pelgrims dichter bij Christus te brengen. In afwachting van de overtocht verrichten ze overal geestelijk dienstwerk. Uiteindelijk gaat de hele onderneming niet door, omdat Venetië in oorlog is met de Turken. Nadat de tien paters hebben besloten een religieuze gemeenschap te vormen, bieden ze zich aan de paus aan.
De pauselijk gezant van Parma vraagt eind juni 1539 om zijn assistentie. Daar aangekomen logeert Faber niet in het paleis van de gezant, maar in gasthuizen temidden van zieken en zwervers. Dat geeft hem de gelegenheid te preken en sacramenten toe te dienen. Hij blijkt bijzonder goed in het geven van Ignatius’ Geestelijke Oefeningen. Ignatius schijnt herhaaldelijk gezegd te hebben dat Faber beter was dan hijzelf en van alle medebroeders misschien het meeste talent had om de Geestelijke Oefeningen te geven, vooral het tweede deel ervan. Daarin wordt de bidder uitgenodigd om op contemplatieve wijze Christus van zo dichtbij mogelijk te leren kennen. Als de paus hem overplaatst naar Spanje zijn de mensen die hij moet verlaten behoorlijk kwaad. Maar hij gehoorzaamt. Spanje wordt echter Worms. Hij wordt namelijk verzocht bij de Wormser Gesprekken met de Reformatoren als deskundige op de achtergrond aanwezig te zijn.
Op 27 juli van het jaar daarop, 1541, wordt hij alsnog naar Spanje gestuurd. Hij ziet de mogelijkheid om onderweg zijn geboortestreek aan te doen en zijn familie te bezoeken. Natuurlijk doet hij er geestelijk dienstwerk. Bij die gelegenheid schijnt hij gezegd te hebben: ‘Jullie zoeken maar steeds grotere rijkdom zonder dat het je lukt. Ik zoek ongemak en armoede zonder dat het me lukt.’
Zijn verblijf in Spanje duurt slechts een paar maanden. Dan wordt hij alweer door de paus overgeplaatst van het Spaanse hof naar de Duitse stad Spiers. Een aantal hovelingen gaat mee, onder wie de hofkapelaan die bij Faber retraite wilde doen. In januari 1542 schrijft hij: ‘Tijdens onze lange reis van Spanje naar Spiers bleven wij door toedoen van God onze Heer tegen alle menselijke verwachting in gespaard voor alle narigheden van onze tijd: struikrovers in Catalonië, gevangenissen in Frankrijk, soldaten bij het overschrijden van de grens van Savoye met Zwitserland, ketters in Duitsland en ziekten. En het belangrijkste van alles: Hij behoedde ons met name voor twistgesprekken en ruzies.’
Tijdens zijn verblijf in Mainz (november 1542 augustus 1543) treft hij een jongeman uit Nijmegen die bij hem retraite doet: Petrus Canisius. Deze geeft hoog over hem op, en besluit zelf in te treden bij de jezuïeten.
Voortdurend is hij gesprek met de Reformatie. Intussen heeft hij zo zijn eigen theorie gevormd over de vraag hoe die Reformatie heeft kunnen ontstaan en wortel schieten: ‘Ik begin in de gaten te krijgen hoe christenen ertoe komen zich van de Kerk los te maken. Het begint ermee dat ze de vrome praktijken met steeds meer lauwheid ten uitvoer brengen. Vervolgens vinden ze alles wat niet uit henzelf is voortgekomen waardeloos en overbodig. Ze proberen hun geloof en hun hoop te beredeneren. Hoe? Door om te beginnen alles in twijfel te trekken. Zo laten ze de gaven van de Heilige Geest in hen verloren gaan en verliezen ze het geloof van de Kerk en de gemeenschap van de heiligen. Als ze dat allemaal kwijt zijn, proberen ze een eigen geloof op te bouwen dat gebaseerd is op hun eigen gevoelen. Daar bedenken ze een redenering bij, ieder voor eigen rekening. Ze leggen de Schrift naar eigen goeddunken uit en pikken eruit op wat hun goed uitkomt. Zo creëren zij hun eigen geloof, of liever hun ideeën en dwalingen.’
Toch is hij tijdens de discussie met andersdenkenden de beminnelijkheid zelve. Dat moge o.a. blijken uit de richtlijnen die aan de hand van zijn aantekeningen zijn samengesteld voor het voeren van gesprekken met mensen die de protestantse richting van die dagen waren toegedaan:
‘Op de eerste plaats moet iemand die de dwalende gelovigen van onze tijd wil helpen, erop toezien dat hij hen met veel liefde tegemoet treedt en dat hij hen werkelijk liefheeft, bv. door zijn geest vrij te maken van alle gedachten die de hoogachting voor de ander naar beneden kunnen halen.
Op de tweede plaats moeten we proberen hun gunst te winnen, zodat zij ons gaan liefhebben en ons in hun geest een goede plaats geven. Dat gebeurt met name, wanneer men op vriendschappelijke wijze met hen praat over onderwerpen die zij en wij gemeenschappelijk hebben, waarbij men zich hoedt voor strijdgesprekken waarin de een de ander naar beneden probeert te halen. We moeten namelijk voor alles met hen de omgang zoeken rond zaken die ons verenigen, en niet in die andere dingen waarbij een verscheidenheid van inzicht aan het licht komt[-].’

Na een kort verblijf in Leuven keert hij terug naar Keulen om er een gesprek aan te gaan met de Reformatoren Luther en Melanchton. Maar nu is het vader Ignatius die hem vraagt naar het noviciaat in de Portugese plaats Coïmbra te gaan, en daar instructies te geven over de Sociëteit, 1544.
Maar een half jaar later komt het verzoek deel te nemen aan het Concilie van Trente, dat na veel geharrewar en getouwtrek dan toch eindelijk begonnen is: december 1545. Op 20 mei van het jaar daarop arriveert hij in Barcelona. Hij is ziek. Op 17 juli is hij in Rome, dat op dat moment zucht onder een hittegolf. In de avond van 31 juli ontvangt hij de laatste sacramenten. Rond het middaguur van de dag daarop sterft hij in de armen van vader Ignatius: 1 augustus 1546. Een grote slag voor de eerste generaties paters.

Verering & Cultuur
Na zijn dood blijkt dat hij een soort dagboek heeft bijgehouden, een Memoriale. Het geeft inzicht in zijn gedachten, mijmeringen en gebedsleven. Zo schrijft hij ergens de prachtige overweging: ‘Met grote aandrang vroeg ik in mijn gebed een dienaar van de troostende Christus te zijn: de dienaar te zijn dus van Christus die te hulp komt, bevrijdt, geneest, je van lasten ontdoet, verrijkt en versterkt. Zodat ik hetzelfde kan doen bij de mensen als Hij.’ En: ‘Het is beter om vooruit te kijken met de bedoeling iets goeds te doen, dan je onophoudelijk te vermoeien door steeds maar achterom te kijken naar wat allemaal niet goed ging.’

Hij had grote devotie voor engelen en plaatselijke heiligen. Hij sprak met ze als hij onderweg was, en riep hun voorspraak in. Een paar voorbeelden:

‘Na de mis in een Johanneskapel bleef ik nabidden. Ik bad voor het huis, en ik voelde een groot verlangen dat wat ik bad voor dit huis en zijn bewoners, dat datzelfde ook ten goede zou komen aan alle huizen en bewoners van de hele stad. En ik had het gevoel dat ik in elk huis apart even verbleef.’ Bij een andere gelegenheid: ‘Onderweg van Galapagar naar Valladolid overviel mij de behoefte te bidden voor alle plaatsen waar de weg doorheen kwam. Op iedere plaats bad ik een Onze Vader en een Wees Gegroet, intussen denkend aan alle vragen en noden die de mensen hier ter plaatse hadden.’ En: ‘In de kamer naast mij werd schuttingtaal gebezigd en scabreuze lol gemaakt. Ik had er moeite mee dat ze zich zo lichtzinnig voorbereidden op de komende nacht. En ik bad: "Heer, bezoek dit huis en al de kamers waar mensen verblijven. Neem alle aanvechtingen van zichtbare en onzichtbare vijanden van hen weg. Laten uw engelen er hun verblijf nemen en onze behoeden in vrede: ons en alle mensen.’

Zonder dat hij officieel heilig was verklaard vereerden de eerste medebroeders hem meteen als een heilige. Zo voegde Sint Franciscus Xaverius, die in Achter-Azië verbleef, hem in zijn persoonlijke gebeden toe aan de litanie van Alle Heiligen; elke dag bad hij: ‘Heilige Faber, bid voor ons.’ Ook zijn latere streekgenoot Sint Franciscus van Sales († 1622; feest 24 januari) was gewoon over hem te spreken als over ‘de heilige van Villaret’. Op 5 september 1872 wordt hij door paus Pius IX zalig verklaard.
Hij wordt afgebeeld als pelgrim, onderweg in gesprek met engelen of engelbewaarders.


Petrus Faber
Voor Rond Zending: 2008, oktober. Thema ‘Mobiel’

2
Petrus Faber in gesprek met plaatselijke engelbewaarders.

Bij mijn weten is er nog niemand heilig verklaard die onze mobieltjes heeft gekend. Ook is er nog geen patroon gekozen voor mobiel gsm- en telefoonverkeer. Maar als ik een voorstel mocht doen, zou ik kiezen voor Petrus Faber, Latijnse weergave van zijn Franse naam Pierre Favre.
Hij was jezuïet. De stichter, Ignatius van Loyola, had hem zelf in de orde opgenomen. Hij was een beminnelijk mens en een meester in het begeleiden van anderen in hun geloofs- en gebedsleven.
Hij heeft in zijn leven heel wat heen en weer gereisd tussen Spanje en Duitsland. Aan het Spaanse hof werd hij herhaaldelijk gevraagd als geestelijk leidsman. Vandaar werd hij – juist vanwege zijn vriendelijk karakter - geregeld naar het Duitsland van de Reformatie geroepen om deel te nemen aan de gesprekken met de Hervormers.
Na zijn dood blijkt dat hij een soort dagboek heeft bijgehouden, een Memoriale.
Daarin lezen wij dat hij onderweg navraag deed naar de beschermheiligen van de steden en streken waar hij doorheen trok.
Hij vroeg om hun voorspraak voor de mensen die daar woonden.
Zo deed hij ook met de engelbewaarders en beschermengelen. Zo stond hij – al reizend en trekkend - in voortdurend contact met de hemel.
Natuurlijk vroeg hij ook of hijzelf en zijn reisgezelschap gespaard zouden blijven voor alle mogelijke onheil, en – niet overbodig in die tijd van Reformatie en Contra-Reformatie – om gespaard te worden voor ruzie onderweg.
In januari 1542 schrijft hij:
'Tijdens onze lange reis van Spanje naar Spiers bleven wij door toedoen van God onze Heer tegen alle menselijke verwachting in gespaard voor alle narigheden van onze tijd: struikrovers in Catalonië, gevangenissen in Frankrijk, soldaten bij het overschrijden van de grens van Savoye met Zwitserland, ketters in Duitsland, en ziekten. En het belangrijkste van alles: Hij behoedde ons met name voor twistgesprekken en ruzies.'

Wie ooit de moeite neemt naar de Elandstraatkerk in Den Haag te gaan, vindt daar achter het hoofdaltaar een raampje, waarin hij afgebeeld staat met rechts en links van hem een engel met wie hij druk in gesprek is….


Bronnen
[Ha3.1839p:212;Prr.1999p:102;Süt.1941;Tyl.1984;Waa.1985p:131; Dries van den Akker s.j./2007.07.06]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen