× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 491  Theodora van Alexandrië

Info afb.

Theodora (alias Theodorus) van Alexandrië, Egypte; boetelinge alias Theodorus; † 491.

Feest 11 september.

In oude boeken staat er over haar op 11 september: "Te Alexandrië: de heilige Theodora. Door gebrek aan zorg viel zij in zonde. Maar ze had intens berouw over haar daad. Ze kleedde zich in het habijt van de boetelinge, trok zich terug in de eenzaamheid en leidde daar een volkomen onopgemerkt leven van onthouding en lijdzaamheid tot aan haar dood."

Volgens de legende verkleedde zij zich zelfs als man, meldde zich aan bij een klooster en leidde daar een voorbeeldig monniksleven. Ze had er vele beproevingen te doorstaan, werd zelfs vals beschuldigd een kind verwekt te hebben bij een vrouw, waarop ze door de andere monniken uit het klooster zou zijn verjaagd. Na zichzelf en haar kind in leven te hebben gehouden door zich aan te sluiten bij de bedelaars voor de kloosterpoort, werd ze weer in genade aangenomen. Pas na haar dood kwam de waarheid aan het licht.

In een oude middeleeuwse legende wordt dit verhaal als volgt verteld.

Legende
[Naar een middeleeuws Passionaal]

Sint Theodora leefde als lieve en edele vrouwe in Alexandrië. Zij had een edelman als echtgenoot. Hij hield veel van haar en zij van hem. Maar de boze geest was er kwaad over, dat ze zo deugdzaam was. Hij liet dus het hart van een wildvreemde kerel ontbranden in een boze liefde voor Theodora. Die begon haar boodschapjes en brieven en kostbare cadeautjes toe te sturen telkens met het verzoek dat zij hem terwille zou zijn. Maar Theodora wilde van al die geschenken niets weten en de boodschapjes stuurde zij terug. Dat deed hem pijn, want de liefde liet hem niet met rust, tot ze hem volkomen in haar greep had.
Ten einde raad nam hij een tovenares in de arm. Hij stelde haar een rijke beloning in het vooruitzicht, als zij Theodora zover zou krijgen hem terwille te zijn. Dus ging die vrouw naar Theodora en deed alles wat de boze geest haar ingegeven had. En ze zei, dat ze medelijden moest hebben met deze man, en dat ze hem terwille moest zijn. Maar Theodora zei:
"Hoe zou ik voor Gods ogen zulk een kwaad kunnen doen. God ziet immers alles?"
Maar die vrouw antwoordde:
"Dat wil zeggen, God ziet alles wat er gebeurt bij daglicht, maar wat er gebeurt na zonsondergang en in de nacht: daar weet God niets van."
En Theodora vroeg: "Is dat echt waar?"
En die vrouw: "Ja hoor, wat ik je zeg, is de zuivere waarheid."
Zo werd Theodora door die vrouw bedrogen. Nu liet ze die man zeggen, dat als hij 's nachts bij haar kwam, dat ze hem dan terwille zou zijn. Toen die lelijke vrouw bij de man terugkwam en hem de boodschap overbracht, was hij zielsgelukkig. Hij kwam precies op het afgesproken uur en bedreef de zonde met Theodora. Maar hij was nog niet weg, of Theodora kreeg spijt over haar zonde en weende bitter:
"Wee mij, nu heb ik mijn ziel verkocht. En de schoonheid van mijn hart is kapot."
De volgende morgen vroeg begaf zij zich naar het naburige klooster. Daar woonden vrome vrouwen, en Theodora kreeg de abdis te spreken en vroeg haar, of God ook de zonden zag die in het donker gebeurden. En de abdis antwoordde:
"Natuurlijk, mijn dochter, voor God is niets verborgen, of het nu dag is of nacht, of wanneer dan ook."
Toen barstte Theodora in huilen uit:
"Wijs mij in de Heilige Schrift een tekst aan waar dat staat. Zodat ik er helemaal zeker van ben."
Ze sloegen het boek open en vonden de tekst waar geschreven staat:
'Wat ik geschreven heb, blijft geschreven.'

Johannes 19,22. Opmerkelijk, het is nota bene een uitspraak van Pontius Pilatus die Jezus gekruisigd heeft en een bordje boven zijn hoofd heeft laten aanbrengen met de tekst ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’. De Joodse overheden waren komen protesteren: ‘U moet schrijven: Hij heeft gezégd: Ik ben de Koning der Joden.’ Dan zegt Pilatus: ‘Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.’
Veeleer had men een bv een citaat kunnen verwachten uit Psalm 139: ‘Voor Hem is de nacht even licht als de dag.’

Toen begon Theodora nog harder te huilen. Ze nam afscheid van de abdis en keerde naar huis terug. Haar man zag hoe bedroefd ze was. Hij wilde haar troosten, en vroeg wat eraan scheelde. Maar ze wou het hem niet zeggen, en ze wilde ook niet door hem getroost worden. Zo leed ze een hele lange tijd verdriet.
Eens ging haar man naar het buitenland. Daar kenden ze hem goed, want hij was van hoge adel. Toen kreeg zijn vrouw een idee: ze trok haar vrouwenkleren uit en deed mannenkleren aan en ze schoor haar haren af net als een man. Ze deed alsof ze een man was, en ging naar het monniksklooster, zo'n vijftien mijl verderop. Daar smeekte ze ter liefde Gods te worden toegelaten tot de monniksgemeenschap. Vader abt vroeg eerst advies aan zijn broeders. Toen gaf hij zijn toestemming. Nu vroegen ze haar, hoe ze heette. Zij antwoordde: "Ik heet Theodorus."
Daar in dat klooster was ze eindelijk weer een beetje gelukkig. Ze maakte op de anderen een deugdzame en nederige indruk. Dat beviel hun wel. Theodorus ging de behoeften van zijn lichaam te lijf met handenarbeid en vasten. Hij gunde zich weinig rust, hielp waar hij kon en stortte veel tranen tijdens zijn gebed. Alles wat de abt hem opdroeg, bracht hij prompt ten uitvoer.

Zo droeg de abt hem eens op met de kar naar de stad te rijden om er olie te gaan halen. Hij deed het meteen. Intussen had Theodora's man er veel verdriet over, dat hij zijn vrouw verloren had. Hij uitte klacht op klacht, want het was een man met een goed hart. Vurig bad hij onophoudelijk tot God, dat die hem zou helpen zijn vrouw terug te zien. Toen verscheen hem een engel met de woorden:
"Ga daar en daar onder de stadspoort staan, en kijk goed uit, dan zul je je vrouw te zien krijgen."
Juist op dat moment reed onze monnik Theodorus op zijn kar de stadspoort binnen. De twee groetten elkaar. Zijn vrouw herkende haar man onmiddellijk. Maar hij had het niet in de gaten vanwege die monnikskleren. En zo keerde Theodorus op zijn kar volgeladen met olie terug naar het klooster. Maar haar man bleef de hele dag tot aan zonsondergang bij die poort de wacht staan houden. Toen sprak hij:
"Ik ben natuurlijk bedrogen. Ik had nog zo gehoopt, dat ik mijn vrouw terug zou zien. Maar daar is niets van terecht gekomen."
Maar toen klonk er een stem in de lucht:
"Die monnik die je vanmorgen vroeg op zijn kar zo vriendelijk groette: dat was je vrouw!"
De man had er veel verdriet van, dat hij haar niet herkend had.

Theodorus leefde zo heilig in zijn klooster, dat men meende dat hij volmaakt was. Eens werd een man door een wild beest aangevallen en zo ernstig toegetakeld, dat hij veel pijn leed. Toen kwam Theodorus, sprak een gebed uit en op hetzelfde moment was die man volkomen opgeknapt en kerngezond. Vervolgens rende Theodorus het beest achterna, haalde het in en sprak het dier met Gods hulp zo streng toe, dat het ter plekke doodbleef en niemand ooit meer kwaad kon doen.
Maar de boze geest was gebeten op Theodorus, vanwege zijn zuivere levenswijze. Hij verscheen dus aan de monnik met de woorden:
"Theodora, in je vreemde kleren, je denkt toch niet dat ik je niet in de gaten heb? Je hebt je huwelijksbelofte gebroken. Er staat geschreven, dat je voor eeuwig verdoemd bent. Ik ben dus van plan je te straffen voor je wandaad. Daar zul je nog van lusten."

Maar nu herkende Theodora de vijand; ze sloeg een kruisteken met de woorden:
"Wegwezen, booswicht. Jezus Christus, mijn God, zal mijn helper en beschermer zijn."
En onmiddellijk verdween de boze geest.

Nu gebeurde het dat hij er weer eens op uit moest met de kar om te gaan halen wat de abt hem opgedragen had. Hij moest tegen zijn wil de nacht doorbrengen bij een rijke gastheer. Midden in de nacht kwam de dochter van de waard naar hem toe met het verzoek met hem de nacht te mogen doorbrengen. Maar met een beroep op de deugdzaamheid wist zij haar weer weg te krijgen. Maar toen de dochter bemerkte hoe zij door de monnik voor schut was gezet, begon ze na te denken hoe ze hem dat betaald kon zetten. Nu sliep ze samen met een andere man en raakte zwanger. Aan haar vader zei ze dat het kind van de monnik Theodorus was. Daar was die waard ontzettend kwaad over. Zodra zijn dochter het kind ter wereld had gebracht, liet hij het bij de abt brengen met de mededeling dat hij de rest wel te horen zou krijgen van broeder Theodorus, want die was de vader. Toen vader abt dat hoorde, schrok hij geweldig en vertelde de anderen wat er gebeurd was. Die waren allemaal woedend op hem en riepen:
"Hoe heb je dat kunnen doen. Nu heb je ons allemaal bij de mensen te schande gemaakt?"
Toen viel Theodorus onder tranen vader abt te voet en riep:
"Ik heb zwaar gezondigd. Straf mij maar, want dat heb ik verdiend."
En zij antwoordden:
"Je hebt ons gewoon bedonderd met je geestelijke levenswijze; je hebt alleen maar gedaan alsof je zo vroom was."
En woedend verstootten ze hem met kind en al uit hun klooster met de woorden:
"Voed je kind zelf maar op!"
Zo nam Theodorus het kind en verliet het klooster. Niet ver daarvandaan vond hij een klein hutje. Daar verbleef hij zeven jaar. Van nu af zag je hem tussen de andere bedelaars bedelen aan de kloosterpoort. Bij het vee op het veld haalde hij melk om het kind te voeden. Dit alles verdroeg hij nederig en geduldig omwille van de liefde Gods.
Dat kon de boze geest toch weer niet hebben. Dus verscheen hij hem in de gedaante van haar man met de woorden:
"Ach mijn lieve Theodora, eindelijk heb ik je dan gevonden. Als je eens wist hoe lang ik je overal heb gezocht. De mensen zeggen dat je mij een grote schuld hebt terug te betalen. Maar dat zal ik je allemaal vergeven. Ik zal er nooit over beginnen omwille van mijn liefde voor jou. Kom dus met me mee naar huis. Je zult meer aanzien en respect genieten dan ooit."
En Theodora dacht werkelijk dat het haar echte man was, zo sprekend leek hij op hem, en ze zei:
"Ik heb zulke grote zonden gedaan, dat ik ervoor wil boeten tot aan mijn dood."
Toen zei de vijand:
"Maar destijds was je ook mijn vriendinnetje? Dat ben je toch zeker nog? Kom dus met mij mee naar huis."
Nu begon Theodora te twijfelen of het wel echt haar man was. Ze stortte een gebed tot God en vroeg of Hij op dit moment met haar wilde zijn. Daarop verdween de vijand. En zij dankte de goede God voor zijn genade.
Maar de vijand bedacht weer een andere list. Hij verscheen voor haar hut met een hele troep trawanten, die eruitzagen als leeuwen en beren. Hij hitste ze op:
"Pak ze, grijp ze, verscheur ze maar, dat lelijke mens. Het is toch maar een zondares."
Maar Theodora stortte een intens gebed tot God en de hele horde dieren verdween onmiddellijk. Toen kwam de boze vijand weer voor haar cel in de gedaante van een elegant gezelschap ridders, met een machtig vorst in hun midden, die zij allen aanbaden en grote eer bewezen. Een van die ridders kwam bij Theodora de hut binnen met de woorden:
"Vrouwe, ook u moet onze vorst aanbidden."
Maar zij antwoordde:
"Zeg maar namens mij tegen uw vorst, dat ik alleen mijn God, Onze Heer Jezus Christus, aanbid."
Dat bracht men die vorst over. Waarop die zo ongenadig kwaad werd, dat hij riep:
"Geef haar maar een flink pak slaag!"
En ze sloegen haar met knuppels in elkaar, tot ze er voor dood bij neerviel. Het was dat God in de buurt was, anders was ze er niet meer bovenop gekomen. Want wederom riep ze tot God in haar lijden. En de boze vijand verdween weer.
Maar kort daarop kwam de vijand andermaal bij haar terug, nu met een mand vol spijzen. Theodora keek degene aan die de mand droeg. Die zei:
"Deze spijzen worden u gezonden door de vorst die u zo liet afranselen."
Daarop maakte zij een kruisteken. En onmiddellijk verdween de boze geest met zijn mand. Zo joeg de vijand haar telkens weer de schrik op het lijf en bezorgde haar veel verdriet.
Maar na zeven jaar schonken de abt en de andere broeders haar vergeving voor de zonde die zij begaan had. Het kind werd aan het klooster overgedragen. Voortaan liet men Theodora eenvoudige karweitjes opknappen, wat ze met ijver deed. Zo droeg ze haar lijden geduldig.

Na twee jaar weer onder de monniken in het klooster verbleven te hebben, liet God haar weten dat ze spoedig zou sterven. Ze nam haar zoon bij zich in haar cel. Maar dat kwamen de overige monniken te weten en stiekem luisterden zij af, wat hij tegen het kind te vertellen had. Hij zei:
"Mijn liefste jongen, ik zal spoedig sterven. Wees trouw aan God. Hij zal je Vader zijn. Ik raad je aan met goede mensen om te gaan. Al het goede wat zij je leren, moet je met ijver ten uitvoer brengen, en wees hun onderdanig. Tuchtig je lichaam met vasten en alle andere deugdzame oefeningen. Heb God lief, want zijn vaderlijke liefde zal je veel respect opleveren, zolang je deugdzaam leeft."
Na deze woorden gaf zij de geest, en haar ziel voer op naar de eeuwige vreugde. Toen het kind zag dat ze dood was, viel het op haar neer en riep:
"O vaderlief, waar moet uw arme jongen nu naartoe?"
Op dat moment deed vader abt een dutje. Hij droomde dat hij op een bruiloft was uitgenodigd. Hij zag er vele engelen, die hun plaats innamen, en vele profeten vol wijsheid; hij zag ook de martelaren en belijders, en iedereen was vrolijk; vervolgens had je de maagden en de zuivere weduwen, die ook allemaal straalden van vreugde; en vervolgens een schone vrouwe. Men bracht voor haar een schitterend ligbed, waarop zij plaatsnam. En alle heiligen die daar waren bogen voor haar met respect en grote vriendelijkheid. En de abt wou graag weten wie die vrouw was. En een stem zei tegen hem:
"Dat is broeder Theodorus, die men vals beschuldigd heeft door te zeggen dat ze een kind verwekt had. Zeven jaar lang heeft zij geduldig alle pijn verdragen. Zo heeft zij de schuld uitgeboet die een ander verdiend had."
Toen werd vader abt wakker. Hij riep alle monniken bij elkaar. Ze renden naar de cel en vonden het kind in tranen bij het dode lichaam van Theodorus. Toen vertelde vader abt wat hij gezien had. Nu vonden zij dat de waarheid eindelijk aan het licht moest komen. Ze kleedden haar uit en bevonden dat het een vrouw was. Ze vatten bewondering voor haar op en hadden er intens verdriet over, dat zij haar met zoveel smaad hadden overladen. Maar ze waren verheugd over de heiligheid van haar leven en dankten God voor zijn genade, dat Hij haar had bijgestaan om haar levenswijze tot het einde toe vol te houden.

Nu moest alles voor de begrafenis in orde worden gemaakt. Vader abt liet de vader van de vrouw ontbieden, die Theodora vals had beschuldigd, met het verzoek of hij zo vriendelijk zou willen zijn de begrafenis van de man van zijn dochter bij te wonen. Toen hij er was, zei vader abt hem dat het een vrouw geweest was. Het deed de man veel verdriet, dat zijn dochter haar zoveel onrecht had aangedaan. Toen daalde er een engel uit de hemel neer met de woorden:
"Ga naar de stad. En de eerste de beste man die je daar tegenkomt, moet je hier naar het klooster brengen, zodat hij bij de begrafenis van zijn vrouw kan zijn."
Vlug reed vader abt naar de stad. Daar kwam hij de man van de heilige Theodora tegen, die tegen hem zei:
"Ik heb gehoord dat mijn vrouw dood is. Ik wil haar graag begraven."
Zo wist de abt meteen, dat hij de bedoelde man was, en verzocht hem met hem mee te rijden naar het klooster. Ondertussen vertelde hij alles wat er met zijn vrouw was gebeurd. En bij de eerste aanblik zag die man meteen dat het inderdaad zijn vrouw was. Men zong haar lof met grote devotie en begroef haar. Sindsdien leefde Sint Theodora's man tot aan zijn dood als een deugdzaam monnik in datzelfde klooster. En het kind dat men Sint Theodora meegegeven had, leidde verder een voorbeeldig leven. Steeds had hij zijn stiefmoeder Theodora voor ogen. Tot op hoge ouderdom volgde hij haar leven na. En toen de abt stierf, was hij het die als zijn opvolger gekozen werd. Dat ambt oefende hij met grote deugdzaamheid uit tot aan zijn dood.
[191p:267.272]

Het thema van een vrouw die zich voordoet als een monnik vinden wij ook bij Apollinaria Syncletica, Eugenia, Euphrosina, Marina van Bythinië (haar verhaal lijkt sprekend op dat van onze Theodora).


Bronnen
[000»jrb; 101; 101a; 102; 106; 107; 140; 183»08.28; 200/2»09.11; Dries van den Akker s.j./2007.09.05]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen