× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† ca 780  Lioba van de St-Petersberg

Info afb.

Lioba (ook Leobgyth of Leofgyth; oorspronkelijk Truthgeba) van de St-Petersberg bij Fulda, Duitsland; abdis † ca 780.

Feest † 23 & 28 (dag van haar plechtige begrafenis in 780? en van de overbrenging van haar relieken in 836) september.

Geschiedenis

1 Inleiding
Op 23 september van een jaar ergens tussen 779 en 782 stierf in klooster Schornsheim bij Mainz zuster Lioba. Zij was in Tauberbischofsheim abdis geweest, maar kwam oorspronkelijk uit Zuid-Engeland. Zij moet op dat moment ongeveer zeventig jaar geweest zijn. Haar sterfdag werd met zorg opgetekend. De nabestaanden waren er zeker van hier met een heilige te doen te hebben; zij was vast en zeker opgenomen bij God in zijn hemel. Enkele dagen later, op de 28e, werd zij met veel plechtig vertoon bijgezet in de kloosterkerk van Fulda. Op precies diezelfde dag, 28 september, van het jaar 836, werd haar stoffelijk overschot overgebracht naar de kerk op de Petersberg, twee kilometer buiten Fulda. Vandaar dat de 28e september haar feestdag is geworden. Dat is uitzonderlijk, want meestal wordt het feest van een heilige gevierd op de sterfdag; dat is voor de gelovige immers de dag waarop de heilige geboren wordt voor het eeuwig leven bij God, de werkelijke verjaardag. Over het exacte jaar van Lioba's dood bestaat geen zekerheid. Die werd destijds niet zo belangrijk gevonden en staat dus ook nergens opgetekend. Meestal wordt 780 aangehouden.
Hoe kwam een vrouw uit het Zuid-Engelse Wessex uiteindelijk in Zuid-Duitsland terecht? We schrijven tenslotte pas de 8e eeuw...?

2 Lioba's wortels
Men schat dat Lioba rond 700 of uiterlijk 710 geboren moet zijn. Van haar ouders wordt gezegd dat zij tot de adel van Wessex behoorden. De naam Wessex betekent eenvoudig West-Saksen; zoals Sussex Zuid-Saksen is en

Essex Oost-Saksen. Dit waren drie van de zeven koninkrijkjes waarin het huidige Engeland toen verdeeld was. Op het moment dat deze geschiedenis begint is Kent het belangrijkste van de zeven. Honderd jaar later, begin 9e eeuw, zal die plaats worden ingenomen door Lioba's vaderland, Wessex. Haar ouders waren christen. Dat is vroeg. Want rond 630 had koning Kentwin van Wessex zich door bisschop Birinus († ca 650) laten overhalen tot het christelijk geloof.

Na zijn doop volgde zijn onderdanen geleidelijk allemaal het voorbeeld van hun koning. Wanneer we de geboorte van Lioba's ouders plaatsen rond 650, kunnen we hún ouders, Lioba's grootouders, tot de eerste generatie van christenen rekenen.

Haar vader heette Dynne (soms treft men ook de schrijfwijze Dime of Tinne aan) en haar moeder Aebbe of Ebba. Deze Aebbe was verwant met de grote bisschop Bonifatius, apostel van Friesland en Duitsland († 754; feest 5 juni). Ook hij was afkomstig uit het koninkrijk Wessex, uit het plaatsje Crediton. We zullen hem verderop in het leven van Lioba nog tegenkomen. Tot op hoge leeftijd was het echtpaar kinderloos gebleven. Toen Aebbe tenslotte toch zwanger was van haar langverwachte eerste kind, droomde zij, dat ze een klok droeg in haar schoot. Ze trok hem eruit waarbij deze luigeluiden gaf. Ze vertelde de droom aan haar vroedvrouw. Ook zij was christin. Deze bijzondere omstandigheden herinnerden haar onmiddellijk aan het bijbelverhaal over de geboorte van de profeet Samuel (1 Samuel 01). Daar wordt immers ook verteld dat zijn ouders Hanna en Elkana pas op zeer late leeftijd hun kind ontvingen. Zij ried Aebba dus aan net zo te doen als Hanna in het Oude Testament: ze deed er het beste aan om het kind dat geboren zou worden, van de moederschoot af aan God toe te wijden. Want de naam van dat kind zou straks klinken als klok! Haar ouders gaven haar de toepasselijke naam Thruthgeba (= 'een waar geschenk'). Haar roepnaam werd al gauw Lioba ('lieverd' of 'lieveling'). Zelf heeft zij haar leven lang aan deze naam de voorkeur gegeven. Regelmatig komen we in de oude documenten over haar ook de naam Liobgytha op (= 'liefdevol strijdster'). Allemaal namen die achteraf gezien uitstekend blijken te passen bij het leven van deze vrouw.

3 Lioba's opvoeding te Minster-in-Thanet
Dynne en Aebba hielden woord. Ze brachten hun dochter naar het St-Mildredklooster in Thanet voor haar opvoeding. Op welke leeftijd precies is niet duidelijk. Wellicht meteen nadat het van de borst af was, dus op 3-jarige leeftijd?
Deze aanpak was destijds beslist geen uitzondering. Adellijke ouders wensten voor hun kinderen een goede leerschool. Die moest hen voorbereiden op hun maatschappelijke functies: ze moesten kunnen lezen en schrijven; ze moesten leiding kunnen geven en verantwoordelijkheid dragen; meisjes moesten naast lezen, schrijven, handwerken en andere handvaardigheden ook leren de volledige huishouding van een hoeve, hof of kasteel op zich te nemen; dat betekende dat ook zij leiding moesten geven, en wel aan de slaven en lijfeigenen. Als je een dergelijke opleiding aan anderen overliet, dan was er eenvoudig geen andere mogelijkheid dan de kloosters. Die functioneerden zo'n beetje als internaat. Op elk gewenst moment konden de ouders over het lot van hun kinderen beslissen. Wanneer zij een politiek aantrekkelijk huwelijk hadden geregeld, kwamen ze hun kind ophalen om het uit te huwelijken. Dat gebeurde soms zelfs al, wanneer de kinderen nog geen tien jaar oud waren.
Er waren ook leerlingen die in het klooster bleven. Vaak waren dat de jongsten. Zij brachten het later vaak tot abt of abdis, want ze waren op grond van hun afkomst nu eenmaal in de wieg gelegd om leiding te geven. Dat stelde trouwens ook de aanzienlijke familie buiten het klooster op prijs. Meestal kregen dergelijke adellijke kloosterlingen royale schenkingen mee. Die kwamen dan weer het klooster ten goede. Dat Lioba dus door haar ouders naar een klooster wordt gebracht is dus eigenlijk normaal in die tijd. Maar dat zij als enig kind in het klooster mag blijven, en niet in de wereld terugkeert om aan een aantrekkelijke partij uitgehuwelijkt te worden, is uitzonderlijk.

Zo ondernam zij dus de lange reis van Wessex helemaal naar de kust, in het meest oostelijke puntje van Kent: een afstand van over de driehonderd kilometer. Zouden haar vader en moeder haar hebben gebracht? Of had je daar aparte personeelsleden voor? We weten het niet, omdat dergelijke dingen toen zo normaal waren, dat niemand de moeite neemt zulke voor de hand liggende zaken te vermelden. We weten dus ook niet of zij zelf paard reed, of dat ze met een kar ging, of misschien een draagkoets. Of lag het toch meer voor de hand per boot de kust rond te varen?

Het zogeheten Minster-in-Thanet bestond op dat moment hooguit veertig jaar. Het stond onder leiding van abdis Eadburga de Grote († 751; feest 12 december), één van de vele invloedrijke vrouwen in de geschiedenis van de Engelse kerk uit de vroege middeleeuwen.

Eadburga was de derde abdis van het Minster. Het was gesticht rond het jaar 670 door koningin Ermenburga van Mercia, ook wel Domneva genoemd (een samentrekking van Domina Ebba). In feite was het een afkoopsom voor de moord op haar twee jongere broers, gepleegd door een raadsman van koning Egbert van Kent. Koning Egbert had beloofd haar bij wijze van genoegdoening of smartengeld alles te geven wat zij maar zou vragen. Zij had de wens te kennen gegeven in het koninkrijk Kent een klooster te willen stichten. Ermenburga had een tam hert als huisdier gehouden. Zij was met de koning overeengekomen dat zij al het land zou krijgen wat dat dier zou doorkruisen zonder te rusten; op dat grondgebied zou zij een klooster bouwen. Het hert had het eiland Thanet rondgelopen. Daar was dus het klooster komen te staan dat de herinnering aan haar beide broers levend moest houden, het Minster in Thanet

Domneva had zeventig meest jonge vrouwen bijeen weten te brengen, die er als kloosterzuster wilden leven; zelf was ze de eerste abdis geworden. Toen zij was gestorven - waarschijnlijk in het jaar 690 - was zij opgevolgd door haar dochter Mildred († ca 700; feest 13 juli). Deze moet ongeveer tien jaar het klooster hebben geleid, tot zij rond 700 op haar beurt stierf, in dezelfde tijd dus dat Lioba werd geboren. Mildred was zo heilig geweest dat het klooster voortaan naar haar werd genoemd. Mildred's opvolgster was dus Eadburga.

Op grond van haar afkomst had zij contacten met vele invloedrijke mensen. Zo onderhield zij o.a. een intensieve briefwisseling met de monnik-missionaris Bonifatius. Hij was eveneens uit Wessex afkomstig, uit het plaatsje Crediton. De paus had hem aangwezen om in de Duitse gebieden de Germanen, Hessen, Friezen en Teutonen tot het christendom te bekeren. Hij moest op dat moment ongeveer 25 of 30 jaar oud geweest zijn. Bonifatius noemde haar in zijn brieven "mijn meest geliefde zuster abdis Eadburh".

We hebben er geen idee van hoe lang die brieven erover deden. Het is niet alleen een wonder dat ze in die primitieve omstandigheden aankwamen: vanuit het klooster moesten ze met een boot worden meegegeven naar de overkant; vandaar werden ze waarschijnlijk tegen een zekere vergoeding toevertrouwd aan handelaren of geestelijken die de Rijn stroomopwaarts gingen... en dan lagen ze nog weken, misschien wel maanden in een klooster te wachten tot Bonifatius zelf of iemand uit zijn omgeving langskwam. Voor hem waren die brieven een ware troost. Hij laat herhaaldelijk doorschemeren hoe eenzaam hij zich voelde; hoe hij behoefte had aan eten van thuis, aan een gesprek in zijn eigen taal, met mensen van zijn eigen cultuur! Hij schrijft bijvoorbeeld: "Ik vraag uwe liefde met de meest mogelijke aandrang voor mij te bidden tot onze God, de schepper van hemel en aarde. Ik wil u ook niet in het onzekere laten over de reden waarom ik dit vraag. U moet weten dat mijn pelgrimschap telkens opnieuw wordt belaagd door allerhande stormen: overal moeite, overal verdriet; van buiten strijd, van binnen vrees!" Het ligt voor de hand dat Eadburga hierover aan de zusters vertelde. Ze zal ze op het hart hebben gedrukt veel te bidden voor de intenties van Bonifatius. Waarschijnlijk liet ze de brieven eenvoudig aan tafel voorlezen tijdens de maaltijd. Zij stuurde hem attenties en geschenken, die ze door de zusters liet vervaardigen, zoals liturgische gewaden of boeken waarom hij had gevraagd. Zij zullen dat als een grote eer hebben beschouwd. Een boek was een bijzonder kostbaar geschenk, want het moest met de hand worden afgeschreven. Wij lezen in een andere brief hoe dankbaar hij is:

"Moge de beloner van alle goeds mijn veelgeliefde zuster straks verrassen met zijn hemelse gaven. Want door uw zending heilige boeken hebt u deze Germaanse balling naar ziel en lichaam troost en verlichting gebracht. Ik ben nu eenmaal geroepen om het Germaanse volk tot in de donkerste uithoeken te komen verlichten. Maar als ik het licht van deze boeken niet bij de hand zou hebben, zou ik waarschijnlijk zelf in het duister rondtasten en ten val komen. Ik vertrouw op uwe liefde en vraag u voor mij te blijven bidden, want ik ben maar al te vaak een speelbal in de stormvlagen van alle wederwaardigheden van het leven."

Bij een volgende gelegenheid vroeg hij zelfs om een afschrift van de brieven van de heilige apostel Petrus, geschreven met gouden letters. Waarschijnlijk had hij zo'n kostbaar boek nodig om indruk te maken op hooggeplaatste mensen en mogelijkerwijs op die manier bewondering te wekken voor het christelijk geloof.

Het ligt voor de hand dat Eadburga Lioba aanspoorde om Bonifatius persoonlijk te schrijven. Zij was immers nog familie van hem. Eén van die brieven is in de nalatenschap van Bonifatius teruggevonden. Hij zou rond 733 geschreven zijn. In vertaling luidt ze:

"Aan de zeer eerwaarde heer en bisschop Bonifatius, geliefd bij de Heer en ook bij mij, temeer omdat u nog door familiebanden met mij, Leobgyth, verbonden bent. Ik zend u mijn groeten en wens u eeuwig heil, al ben ik de minste van alle dienaressen die het zachte juk van Christus op zich genomen hebben. Ik doe een beroep op uw welwillendheid en hoop dat u zich nog de oude vriendschap herinnert met mijn vader Dinne uit Wessex; het is al weer acht jaar geleden dat hij is gestorven. Ik zou u willen vragen de lieve God voor zijn zielerust te bidden. Ook zou ik mijn moeder Aebbe in uw aandacht willen aanbevelen. Zij is nog familie van u, maar dat weet u beter dan ik. Zij leeft nog, maar gaat moeizaam gebukt onder de last der jaren. Ik ben als dochter hun enig kind en het liefste zou ik u als mijn broer willen beschouwen, al weet ik natuurlijk heel goed dat ik zoiets in het geheel niet waard ben. Er is namelijk niemand onder de mensen in wie ik zoveel vertrouwen en hoop heb gesteld als in u. Ik doe hier een heel klein aardigheidje bij. Eigenlijk de moeite van uw aandacht niet waard, maar ik hoop dat u hierdoor aan mij blijft denken. Want de afstand tussen ons is heel groot, en het is maar al te vlug 'uit het oog uit het hart'. Terwijl ik hoop dat er tussen ons een levenslange band ontstaat van ware liefde. Met nog meer aandrang zou ik u willen vragen mij met het schild van uw gebeden te willen beschermen tegen de giftige pijlen van de onzichtbare vijand. Aan het eind van deze brief gekomen hoop ik nog dat u de onbeholpenheid ervan voor lief wilt nemen. U moest eens weten hoezeer ik verlang naar een korte reactie van uw kant; die kan dan voor mij meteen een voorbeeld zijn. De paar verzen onderaan de brief heb ik geschreven volgens de regelen der dichtkunst. Niet dat ik mij verbeeld er reuze goed in te zijn, u moet het meer zien als eenvoudige oefening in overeenstemming met de kwaliteiten die God mij gegeven heeft. Hopelijk kunt u mij ook hierin nog wat goede raad geven. Ik heb de kunst geleerd van Eadburga, die zich met hart en ziel toelegt op de studie van de heilige schriften. Vaarwel. Ik wens u een lang en gelukkig leven en beveel mijzelf in uw gebeden voor God aan.
'Moge God almachtig, schepper en rechter der wereld
en Christus met Hem, de heerst als een stralende koning,
het vuur dat Hij in u ontstoken heeft,
behoeden en bewaren voor altijd.'"

Wat Lioba hier - in de enigszins gezwollen brieftaal van toen - als wens uitspreekt, is uitgekomen. Er zou tussen haar en Bonifatius een hechte vriendschap ontstaan, die van grote invloed zou blijken op haar verdere leven.

4 Lioba's verblijf in klooster Wimborne
Niet lang na deze brief moet Lioba verhuisd zijn naar klooster Wimborne in haar vaderland Wessex. Het moet rond het jaar 705 gesticht zijn door Cuthburga, voormalig koningin van Northumbrië († 724; feest 31 augustus). Zij had het landgoed gekregen van haar broer koning Ina van Wessex. Hoe vruchtbaar het land was, klinkt nog door in de naam Wimborne: 'wijnbron'. Tezamen met haar zus Queenburga († ca 735; feest 3 september) had zij het geheel opgezet als een dubbelklooster: twee gebouwencomplexen, één voor mannen en één voor vrouwen, van elkaar gescheiden door een hoge, dikke muur. Elk complex had zelfs zijn eigen kerk. Het was voor de vrouwen ten strengste verboden op het terrein van de mannen te komen en omgekeerd. Het geheel stond onder leiding van een abdis. Alleen haar was het toegestaan om met de mannen contact te hebben en dat dan nog uitsluitend door een venster

In de tijd dat Lioba er haar intrede deed, stond abdis Tetta aan het hoofd († 8e eeuw; feest 28 september). Deze hield zich zo consequent aan de scheiding tussen de beide communiteiten dat zij zelfs priesters en bisschoppen verbood om bij de vrouwen naar binnen te gaan, tenzij het was om sacramenten toe te dienen: communie uitreiken, maagdenwijding (welke destijds ook beschouwd werd als een sacrament) en ziekenzalving. Tetta had Cuthburga in 725 opgevolgd. Op dat moment kreeg zij de leiding over alleen al zo'n vijfhonderd zusters; het aantal monniken is niet bekend.

Uit de tijd dat Lioba daar verbleef, is een verhaal bewaard gebleven over een priores. Waarschijnlijk is het later door haar zelf verteld. De priores was de tweede in rangorde binnen een klooster: zij had vooral de verantwoording voor de materiële gang van zaken en nam de abdis waar als deze afwezig was. Dat kon vaak het geval zijn, want die werd vaak om advies gevraagd door vorsten en andere hooggeplaatste personen. We moeten daarbij niet vergeten wat het betekent om met zoveel vrouwen een gemeenschap te vormen; soms kwam ook toen al de kostschoolsfeer boven. De priores die ten tijde van Tetta dienst deed, had zich door haar starheid en onvriendelijk optreden ronduit gehaat gemaakt bij met name de jonge zusters. Zij wordt in de oude kroniek 'een bron van verdriet voor de zusters' genoemd. Toen zij stierf was dat een grote opluchting. Zoals gebruikelijk werd haar graf geaccentueerd met een dijkje van aarde, zodat het wat hoger kwam te liggen dan de gewone grond. Maar de jongeren waren zo op haar gebeten dat zij met zijn allen net zo lang op haar graf stampten en dansten dat het zelfs lager kwam te liggen dan de grond eromheen. Toen Tetta hiervan hoorde en het verzakte graf in ogenschouw kwam nemen, was zij behoorlijk ontdaan. Zij riep alle zusters bij elkaar en begon ze duchtig te onderhouden over hun grove optreden en harteloosheid. Dat ze een onvergeeflijke fout hadden gemaakt, en dát nog wel als christenmensen die toch juist op vrede uit moesten zijn. Zij moesten zelfs hun vijanden beminnen, en hier ging het nog niet eens om een vijand, maar om een medezuster, die zij bij haar leven al hadden gehaat, wat toch volkomen tegen het gebod van de Heer ingaat. En zelfs na haar dood konden zij haar nog niet met rust laten. Zij drukte hun op het hart die vijandigheid te laten varen, voortaan liever onrecht te verdragen en iemand onmiddellijk te vergeven; en ook te bidden om vergeving voor andermans fouten, net zo goed als je dat voor je eigen zonden doet. Vervolgens kondigde ze een driedaagse vastentijd af, waarin uitsluitend gebeden, gevast en gewaakt zou worden. Op de laatste dag kwamen ze weer rond het graf van die bewuste zuster bij elkaar. Ze zongen litanieën, zeiden hardop gebeden en wierpen zich languit voor God op de grond. Terwijl ze dat deden, rees de ingezakte grond langzaam weer omhoog tot het passende niveau.

Uit dezelfde periode horen we hoe de kosteres op een avond haar sleutelbos kwijt was. Zij had na de Completen de kerk nog afgesloten, maar kon ze vervolgens nergens meer vinden. Iedereen dacht weer aan een geintje van de jonge zusters. Maar die hielden vol dit keer onschuldig te zijn. Het gevolg was dat ze de volgende morgen niet in de kerk konden om het koorgebed te zingen. Dat deden ze toen maar in een andere ruimte. Pas toen ze naar buiten gingen om aan het werk te gaan, zagen ze buiten een vos tegen de kerkdeur liggen. Hij had de sleutels in zijn bek... Abdis Tetta gaf een draai aan de gebeurtenissen door te zeggen dat dit typisch een streek was van de duivel, die er nu eenmaal van houdt verwarring en onrust te zaaien.

Deze verhalen spelen zich waarschijnlijk af in de tijd dat Lioba met nog een paar andere zusters de taak had gekregen om de lessen te verzorgen voor de jonge zusters en de meisjes die pas binnen waren. Zij had de naam geduldig, vriendelijk en mild te zijn, en haar leerlingen te stimuleren tot prestaties waarvan ze nooit gedacht hadden ertoe in staat te zijn. In die tijd had Lioba een bijzondere droom. Een purperen draad kwam uit haar mond tevoorschijn. Ze wilde hem los trekken, maar daardoor werd hij almaar langer, zelfs zo dat ze er een knot van kon draaien. Terwijl ze daarmee bezig was, werd ze wakker. Omdat in die tijd alle dromen als boodschappen van God werden beschouwd, was ze benieuwd wat deze te betekenen had. Maar ze was te verlegen om het zelf te vragen aan een oude zuster die in de kloostergemeenschap veel respect genoot vanwege haar wijsheid en mensenkennis. Daarom liet ze één van haar leerlinges de droom aan die oude zuster vertellen. Die jonge non deed daarbij net alsof zij zelf de droom gehad had. De oude zuster luisterde aandachtig, en zei daarna: 'Waarom probeer je mij iets voor te liegen. Want jij hebt die droom niet gehad. Ze behoort typisch bij Gods lieveling (= 'Lioba'). De purperen draad uit haar mond betekent het koninklijk woord van het evangelie dat via haar mond uit haar hart komt. Dat zij de draad met de hand oprolt betekent, dat het werk van haar handen in overeenstemming zal zijn met het woord dat uit haar mond komt. Dat zij de draad tot een knot oprolt die gemakkelijk wendbaar is, betekent dat zij het evangelie zo zal verkondigen dat het gemakkelijk door de mensen zal worden begrepen.'

5 Lioba naar Bonifatius
Deze droom zou uitkomen door toedoen van Bonifatius. De zusters in Engeland waren zo'n grote steun voor hem en voor zijn missiewerk in de vreemde gebieden dat hij erover begon te denken om ze dichtbij zich te hebben. De vrouwen zouden onderwijs kunnen geven aan de inheemse meisjes van adellijke afkomst. Ze zouden door hun gebed, levenswijze en mentaliteit en door de kwaliteit van hun onderwijs en handvaardigheden van onschatbare waarde kunnen zijn. Naast de gemeenschappen voor mannen die hijzelf had gesticht, zouden zij vrouwenkloosters kunnen vormen in de Teutoonse en Saksische gebieden; die zouden kunnen fungeren als steunpunten van christelijke cultuur. En niet op de laatste plaats zouden ze voor hem, Bonifatius, als toevlucht kunnen dienen; zij zouden hem weer iets van een thuis kunnen geven. Hij begon in zijn brieven Tetta te vragen om zusters en met name om zijn verre nicht Lioba. Aanvankelijk was Tetta in het geheel niet gecharmeerd van dat idee. Zij vreesde dat de reis te lang en onveilig was. Zij voorzag dat de vrouwen zo ver van huis heimwee zouden krijgen en dat hun geïsoleerde positie ten koste zou gaan van de goede geest. En dat ze tenslotte behoorlijk wat risico zouden lopen onder die halve heidenen. Bonifatius bezwoer dat hijzelf garant stond voor de veiligheid van de vrouwen. Hij bracht de abdis onder de aandacht dat ze vertrouwen moest hebben in Gods leiding en genade, en ook in haar eigen aandeel: zij had de zusters immers een gedegen vorming meegegeven.

Uiteindelijk ging Tetta akkoord. Met nog 29 andere medezusters stak Lioba de zee over om zich bij Bonifatius te voegen. Tot hen behoorde Walburga († 779; feest 25 februari) van wie al twee broers tot de medewerkers van Bonifatius behoorden: Willibald († ca 787; feest 7 juli) en Wunibald († 761; feest 18 december); en Thecla († 8e eeuw; 28 september), die ook op de een of andere manier met haar verwant was. Zeer waarschijnlijk gingen er geestelijken en soldaten mee om het gezelschap de nodige bescherming en bijstand te bieden. Ze zullen wel bij Katwijk aan land gegaan zijn, net als Willibrordus vijftig jaren eerder en Bonifatius, toen hij destijds voor de eerste keer naar het gebied der Friezen was overgestoken! Vandaar trokken ze via de Rijn stroomopwaarts tot diep in Duitsland. Hun bestemming was Tauberbischofsheim, waar Bonifatius juist alle voorbereidingen had getroffen voor de vestiging van een vrouwenklooster. De zusters hebben hem waarachtig niet teleurgesteld in zijn verwachtingen. Dat geldt heel in het bijzonder voor Lioba. Jonge en oudere vrouwen kwamen zich aanmelden, zoals bv. Agatha, Nana en Eoliba alsook Kunihildis en haar dochter Bertigitte; zij waren verwant met Lullus, één van Bonifatius' meest intieme vrienden en naaste medewerkers van Bonifatius. Hij zou hem opvolgen als bisschop van Mainz.

(De voor ons wat merkwaardige naam van deze bisschop hangt samen met het woord 'liud' = 'volk'; vergelijk ons woord 'lui' of 'lieden'. Waarschijnlijk was het een verkorte vorm van een naam die met 'Lui-' of 'Lu-' begon, zoals bv. Luifried, Ludwig, Lulof enz.).

6 Lioba verricht wonderen
Toch verliep het allemaal lang niet zo rimpelloos als het wellicht lijkt. Dat moet blijken uit de verhalen hierna.

Er lag bij haar voor de kloosterpoort een arme vrouw die niet helemaal goed bij haar hoofd was. Ze leefde van aalmoezen. Elke dag gaven de zusters haar te eten van de tafel van de abdis; soms was er een zuster die haar kleren gaf en zo kreeg ze in feite alles wat ze nodig had. Maar na verloop van tijd bleek ze zwanger, omdat ze blijkbaar niet had kunnen weerstaan aan de verleidingen van de duivel, zoals het oude verhaal opmerkt. Toen ze door haar opzwellende buik het kind dat op komst was niet meer kon verbloemen, deed ze alsof ze ziek was. Zodra zij het wicht ter wereld had gebracht, wikkelde zij het in lappen; er stroomde daar een rivier: zij legde het in een in een gedeelte met stilstaand water. Daarmee de ene fout op de andere stapelend. Want nu had ze ook nog de dood van dat kind op haar geweten. Toen bij het ochtendgloren een vrouw daar water kwam putten, bemerkte zij het kinderlijkje en schrok heftig. Ze rende terug naar de stad en begon overal beschuldigingen aan het adres van de heilige vrouwen in het rond te gillen: "Ha, dat is dan die kuise gemeenschap! die eervolle groep maagden! Ze baren kinderen en spelen dan niet alleen moedertje, maar ook priestertje door ze meteen het doopsel toe te dienen! Want, beste mensen, kom maar mee, dan zal ik jullie eens laten zien hoe zij voor hun pasgeboren kindertjes een ongehoorde en gloednieuwe doop hebben uitgevonden. En gaan jullie dan maar aan die zogenaamde maagden vragen of ze het kinderlijkje er uithalen en ons aan schoon water kunnen helpen. Toe maar, ga maar kijken wie er vandaag toevallig niet thuis en je hebt de schuldige!" Op dit geschreeuw kwam natuurlijk de hele stad toegelopen, mannen en vrouwen van groot tot klein. En allemaal stonden ze als aan de grond vastgenageld te kijken naar wat er gebeurd was, huiverden en voelden haat opkomen tegen die heilige maagden in dat klooster.

De abdis werd gealarmeerd door het lawaai en de toeloop van mensen. Zij begreep onmiddellijk wat er gebeurd was, bracht haar zusters op de hoogte en constateerde dat alleen zuster Agatha afwezig was. Die had ze zelf een paar dagen tevoren naar huis laten gaan, omdat haar ouders daarom gevraagd hadden teneinde een aantal zaken af te handelen. Ze stuurde er onmiddellijk een bode naar toe met de mededeling dat ze onverwijld naar het klooster moest terugkeren, anders zou ze waarschijnlijk ongewild de oorzaak worden van een groot schandaal. Bij haar terugkeer begaven alle zusters zich naar de kerk om er te bidden. Moeder Lioba lag geknield voor het kruis met haar armen gespreid, in dezelfde houding als Jezus dus, en bad alle psalmen en litanieën af. In de hoop dat God medelijden zou hebben met zijn dienaressen, en dat hij hun onschuld zou aantonen door de ware dader aan het licht te brengen. Daar bleven ze tot de noon, drie 's middags; op dat moment was iedereen in de kerk aanwezig: de bevolking van de stad en de zusters uit het klooster. Lioba richtte zich op en ging voor de derde keer met gespreide armen voor het kruisbeeld staan en bad dat God hen van die afschuwelijke verdenking wilde bevrijden. Toen schreeuwde die arme deerniswekkende vrouw vanuit de kerk naar de abdis; alle blikken waren op haar gevestigd: ze was duidelijk door de duivel bezeten en als het ware omringd door een muur van vuur; en ze bekende de hele waarheid. Heel de kerk deinsde achteruit en stond versteld van het wonder. Ieder was ervan overtuigd dat deze onverwachte wending was toe te schrijven aan de Christus' genade en Lioba's verdiensten. Eens te meer kwamen de zusters in nog hoger aanzien te staan. Maar die arme vrouw heeft Lioba niet weten te reinigen. Integendeel, tot het eind van haar leven bleef zij onder de invloed van duivel. Dit was overigens het eerste wonderbare teken dat Lioba voor het oog van de mensen in Germania deed.

Bij een andere gelegenheid brak er brand uit in het stadje. Toen het vuur een aantal huizen in de as had gelegd en zelfs mensen begon te bedreigen, kwam de hele bevolking naar Lioba toegerend en smeekte dat zij de ramp tot staan zou brengen. Zij was zo'n beetje de enige die niet in paniek raakte. Onmiddellijk gaf ze bevel uit de rivier die over het kloosterterrein stroomde water te putten. Een ogenblik later kwamen ze ermee aangerend. Zij strooide er wat zout in dat ooit nog eens door Bonifatius was gezegend en sprak een kort gebed uit. Toen gaf ze opdracht met dat water de zaak te gaan blussen. Ze hadden het nog niet gedaan of het vuur doofde. Iedereen kwam terug om God te danken dat Hij op het gebed van zijn dienares het vuur tot staan had gebracht.

Ook wordt verteld dat er eens een heftig noodweer losbarstte. Het onweerde en bliksemde, de hemel trok inktzwart dicht en windvlagen joegen over de stad en de omgeving. Het volk vreesde voor de beesten op het veld en durfde er toch niet heen te gaan. Graszoden en dakbedekking van takken en stro vlogen in het rond. Ieder zocht een veilig heenkomen in de kloosterkerk, het stevigste gebouw uit de omgeving. Terwijl het buiten oorverdovend loeide, riep moeder Lioba ieder op om mee te bidden, terwijl zij zich languit voor het altaar voor in de kerk op de grond wierp. Dat gaf het geheel nog meer een luguber karakter. Het gekraak en gedreun dat van buiten klonk maakte de menigte volkomen overstuur. Tenslotte kwam Thecla op Lioba af en smeekte haar iets te doen, wilden er geen ongelukken gebeuren. Zwijgend stond ze op. Wierp haar capuchon af en met statige tred begaf zij zich naar de buitendeur, deed die open en maakte een plechtige kruisteken tegen het noodweer. Vervolgens spreidde zij haar armen ten hemel en smeekte God de Heer dat Hij medelijden had en dat Hij op voorspraak van de Heilige Maagd Maria zijn arme volk te hulp noest komen. En het werd rustig.

Er blijkt nog een wonder van haar verteld te worden. Zij had een medezuster, Williswind geheten, die aan bloedvloeiing leed. Dat ging gepaard met heftige pijnen. Na een aantal dagen was haar toestand zo verslechterd dat zij niet meer op eigen kracht kon lopen, uit bed opstaan of zelfs maar zich op haar andere zij draaien: bij alles moest ze geholpen worden. Toen haar toestand kritiek werd, liet men haar ouders weten dat zij ze beter mee naar huis konden nemen. Ze woonden niet ver weg; over de rivier de Tauber zou de reis heel snel kunnen verlopen. Toen zij thuis op sterven lag, lieten haar ouders moeder abdis roepen, niet om de zieke voor het laatst te bezoeken, maar met de vraag of zij de gebeden der stervenden wilde bidden om zo de overgang van hun dochter naar God met haar gebeden te begeleiden. Lioba liet zich naar het ziekbed brengen en gaf opdracht de lijkwade weg te slaan; want zo ver was de zuster al heen dat ze haar al in haar doodshemd hadden gekleed. Daarop zei ze tot de ouders: "Huil maar niet, ze leeft nog." Ze stuurde iemand naar het klooster om iets te drinken te halen uit het flesje dat zij zelf altijd bij het eten gebruikte. Toen ze daar mee terugkwamen, sprak zij een zegen uit over het drankje en druppelde er wat van in de mond van de patiënte. Deze proefde ervan, likte met haar tong, deed haar ogen open en begon druk te praten. De volgende dag was ze al een stuk beter en een week later kon ze zelf de afstand naar het klooster te voet afleggen waar ze een week geleden nog op een ziekbed in de omgekeerde richting gedragen had moeten worden. Van deze Williswind horen we later dat ze na Lioba's dood nog actief is in Thüringen; ze was nog in leven tijdens de regering van Lodewijk de Vrome (814-840).

Bij het luisteren naar deze wonderlijke verhalen moeten we in het oog houden dat ze vooral bedoeld zijn om duidelijk te maken dat Lioba werd beschouwd als een geschenk uit de hemel (was dat niet haar oorspronkelijke naam?); als een wonder van God. Zij wist onheil van mensen af te wenden, stormen te bedaren en branden te blussen. Maar een middeleeuwse toehoorder wil zich dat kunnen voorstellen; die wil voorbeelden waaruit dat blijkt, en die moeten dan ook zo verteld worden dat hij gelooft met iets wonderlijks van doen te hebben!

7 Besluit
Vanuit haar klooster in Tauberbischofsheim heeft zij verschillende andere kloosters gesticht en geleid. Zij stelde Walburga aan als abdis van klooster Heidenheim en Thecla, die nog familie van haar was, kreeg de leiding over Kitzingen en Ochsenfurt. De kloosters die zij stichtte en waaraan zij leiding gaf, ademden de waren benedictijnse geest. Ze kenmerkten zich door voortdurend gebed, een sobere levensstijl, handwerk en studie. Zij gaf op haar beurt door wat zij in de kloosters thuis had ontvangen. Vanwege haar zonnige en opgewekte karakter was zij als leermeesteres bijzonder gezien. In navolging van haar eigen leermeesteressen vond ook zij dat alle zusters Latijn moesten kennen - allicht om de Latijnse gezangen in het koor met hart en verstand te kunnen meezingen; daarnaast leerden zij boeken afschrijven, koken, dranken bereiden (bier brouwen en wijn maken) en werken in de kloostertuin. Te oordelen naar de uitlatingen van haar tijdgenoten heeft ze inderdaad haar droom waargemaakt. Zij heette niet alleen Lioba, 'lieverd', volgens haar medezusters was zij het ook.

Bonifatius kwam graag en regelmatig in haar klooster te Tauberbischofsheim. Het was er precies zoals hij gehoopt had, toen hij destijds om aan Tetta om haar overkomst had gevraagd. Zo ging hij ook gedag zeggen in het vroege voorjaar van 754, toen hij zich opmaakte voor zijn zendingsreis naar de Friezen. Dat zou een riskante reis worden, omdat er nog zovelen vasthielden aan de oude godsdienst. Misschien dat hij daarom op dat moment in een bijzondere stemming was. Hij verklaarde dat hij zijn vriend Lullus de opdracht had gegeven de zorg voor de zusters op zich te nemen, als hij er straks niet meer mocht zijn. Hij sprak de wens uit dat hij na zijn dood begraven wilde worden in zijn geliefde klooster te Fulda. Dat was tien jaar tevoren gesticht door een andere goede vriend, Sturmius († 779; feest 17 december). Die had dagenlang door het uitgestrekte beukenbos ter plaatse gedwaald, voordat hij een geschikte plek had gevonden om een klooster te stichten. De onderneming had de uitdrukkelijke zegen gekregen van Paus Zacharias († 752; feest 22 maart) en de koning Carloman van Austrië, de broer van de latere Karel de Grote. De monniken die er nu woonden, leidden een voorbeeldig leven van armoede, eenvoud en dienstbaarheid. Van alles wat Bonifatius tot stand had gebracht, vervulde hem dat klooster met de meeste trots. Het was dus een grote eer voor Lioba, toen hij haar zijn laatste wil toevertrouwde: dat zij te zijner tijd bij hem in hetzelfde graf begraven zouden worden. Het was, alsof hij voorvoelde dat zij elkaar in dit leven niet meer zouden terugzien. Inderdaad werd hij een paar maanden later tijdens die reis door een aantal fanatieke Friezen bij Dokkum vermoord. Toen Lioba van zijn dood hoorde, was dat een grote slag voor haar. Zijn begrafenis te Fulda was een plechtige gebeurtenis.

Intussen kwamen er steeds meer mensen haar om raad vragen. Ook hooggeplaatste personen, als bisschoppen en abten. Zij stond in hoog aanzien bij Pepijn, de koning der Franken en diens beide zonen Karel en Carloman. Vooral Karel had groot respect voor haar, wat hem goed uitkwam toen hij na de dood van zijn vader en zijn broer zelf koning werd; hij zou de geschiedenis ingaan als Karel de Grote. Hij probeerde vanuit de christelijke beginselen zijn beleid gestalte te geven en was de zaak van de kerk met hart en ziel toegedaan; hij bevorderde het stichten van kloosters en bouwen van kerken. Karel's tweede vrouw, koningin Hildegard, sloot vriendschap met haar en droeg haar zulk een bewondering toe dat zij niets liever had dan dat Lioba te Aken op het paleis verbleef. Dan had ze haar voortdurend dicht om zich heen en kon zich optrekken aan haar woorden en haar voorbeeld. Maar zelf had moeder abdis een hekel aan de hofkringen: ze vond ze te rumoerig en te weinig religieus.

Met regelmaat bracht Lioba bezoekjes aan Bonifatius' graf in Fulda om er te bidden en zijn voorspraak te vragen. Ze had voor dat doel vlak in de buurt van het klooster een celletje laten bouwen, waar ze dan telkens met een paar zusters haar intrek nam. Als zij dan naar Bonifatius' graf ging om te bidden, bleven de andere zusters thuis. Ze besloot de dag door met de monniken samen het koorgebed te zingen. Daarna voegde ze zich weer bij haar zusters. Eigenlijk was dat ongehoord: een vrouw in een mannenklooster. Maar niemand dacht er ook maar aan hier aanstoot aan te nemen. Bovendien had Bonifatius vooral de oudere monniken opgedragen haar met raad en daad terzijde te staan.

Gaandeweg begon ze steeds meer de ouderdom en de vermoeidheid te voelen. Toen ze zo'n 28 jaar de last van het leiderschap had gedragen, droeg ze haar verantwoordelijkheden over en verhuisde naar het door haar gestichte klooster Schornsheim bij Mainz. Zo was ze dichter bij Bonifatius' vertrouweling Lullus. Daar leidde ze het leven van een voorbeeldig kloosterzuster: ze bad, vastte en doorwaakte de nachten in de dienst aan de Heer.

Koning Karel zond zijn vrouw naar haar toe met het verzoek nog één keer op het paleis in Aken te komen logeren. Hij wilde van haar afscheid nemen voor zij uit dit leven vertrok. Ze voldeed aan het verzoek op grond van de oude vriendschap. Maar eigenlijk liet haar gezondheidstoestand het al niet meer toe. Ze was nog niet gearriveerd of ze wilde het liefste meteen naar huis terug. Hildegard overlaadde haar met kussen op haar voorhoofd en haar ogen; ze omhelsde haar hartstochtelijk en wenste haar onder tranen voor altijd vaarwel. Reeds een paar dagen na thuiskomst ging ze zienderogen achteruit. Lioba stierf op 23 september ergens tussen 779 en 782. Haar lichaam werd naar klooster Fulda overgebracht; het werd gevolgd door een lange stoet. De oudere monniken wisten zich nog te herinneren dat Bonifatius destijds had gevraagd dat zij bij hem in het graf begraven zou worden; die gebeurtenissen lagen immers alweer zo'n 25 jaar achter ze. Maar ze schrokken ervoor terug het graf van de heilige te openen. Zij kreeg haar laatste rustplaats in een graf vlak naast dat van haar verre oom, weldoener en leidsman, aan de noordelijke zijde van het hoofdaltaar, de vrouwenkant.

Verering & Cultuur

8 De jaren na Lioba's dood
Meteen toen Eigil in 818 als abt van klooster Fulda aantrad, vatte hij het plan op om met toestemming van de plaatselijke bisschop Aistulfus de kloosterkerk met de belangrijke begraafplaatsen te vergroten. Ruim één jaar voor Lioba had ook Sturmius er zijn laatste rustplaats gevonden. Reeds één jaar later, 819, waren de werkzaamheden voltooid. Lioba werd tot de eer der altaren verheven: zij kreeg een eigen altaar waarop zij als officieel erkende heilige door de gelovigen kon worden vereerd; het lag naast het altaar van de heilige Ignatius van Antiochië in het zuidelijke dwarsschip. Inderdaad stroomden pelgrims en bedevaartgangers toe.

Zo kwam er eens een boeteling naar Fulda. Bij wijze van boetedoening had hij om beide armen ijzeren ringen laten aanbrengen. Ze zaten met krammen in zijn vlees vastgehecht. Eén van die ringen was intussen al uit zichzelf losgesprongen; de lelijke littekens die dat had nagelaten, waren duidelijk te zien. Biddend trok de man in de kerk van het ene altaar naar het andere. Bij het graf van de heilige Lioba stond hij wat langer stil. Plotseling stootte een hogere macht de klinknagels uit die andere ring; het ding verwijdde zich en werd met een guts bloed ver van de man weggeworpen. Zielsgelukkig jubelde de arme drommel zijn dankbaarheid uit, omdat God zich ertoe had laten brengen - natuurlijk door de verdiensten van de zalige maagd Lioba - om hem te bevrijden van de knellende banden die hem tot op deze dag hadden gehinderd.

Bij een andere gelegenheid kwam er een Spanjaard die in de rivier de Ebro een tremor had opgelopen. Hij schokte en trilde over heel zijn lichaam en kon dat met geen mogelijkheid bedwingen. Uit schaamte was hij van huis weggegaan en nu ging hij zo veel mogelijk heilige plaatsen langs. Hij was al in Frankrijk geweest en Italië en nu was dus Duitsland aan de beurt. Hij verbleef drie dagen in het gasthuis van Fulda, ging elke dag naar de kerk en bad God aan één stuk door om genezing. Daarbij ging hij ook de crypte van Bonifatius binnen en strekte zich languit in gebed neer. Het leek wel of hij sliep; het enige verschil was dat hij nu niet trilde wat hij in zijn slaap altijd wel deed. Op dat moment zat daar een vrome oude monnik; die zat daar altijd onafgebroken te bidden, want hij had de kracht niet in zijn benen om zelf op te staan. Deze keek nieuwsgierig toe hoe die man daar roerloos lag. Toen hij uit zijn gebed opstand, was de trilling opgehouden. Hij kon het eigenlijk nog niet geloven, en vroeg de monnik of hij hem zijn zegen wilde geven. Daarop vertelde hij hem het hele verhaal en beiden waren ervan overtuigd dat hij door de voorspraak van Lioba in de hemel zijn gezondheid had teruggekregen.

Het is waarschijnlijk door toedoen van abt Rabanus Maurus († 856; feest 4 februari) dat Lioba's leven werd opgetekend. Rabanus volgde in 822 Eigil op als abt van Fulda. Waarschijnlijk benoemde hij één van zijn monniken, Mago, tot geestelijk leidsman van de zusters Agatha, Thecla, Nana en Eoliba in Tauberbischofsheim. En het is mogelijk op zijn verzoek dat deze de zusters liet vertellen over de lieve moeder Lioba. Toen hij in 831 stierf, lagen er losse aantekeningen. Rabanus moet de opdracht vervolgens hebben toevertrouwd aan de monnik Rudolfus. Van het levensbericht dat hij tenslotte van Lioba presenteerde kon hij met gepaste trots beweren dat het gebaseerd was op het relaas van vier ooggetuigen, de medezusters die we hierboven al met name noemden. De meeste gegevens van ons verhaal over Lioba hebben we dan ook aan hem te danken.

Intussen was al ten tijde van abt Sturmius iets ten oosten van Fulda een kerkje gesticht als steunpunt voor het pastoraat onder de plaatselijke bevolking. Het lag hoog boven de omgeving op de zogeheten Ugesberg. Abt Rabanus liet de kerk aanzienlijk uitbreiden. Op 28 september van het jaar 836, op de dag van Lioba's begrafenis, werd het nieuwe heiligdom door bisschop Reginbald van Mainz ingewijd. Patroon was Sint Petrus, de prins der apostelen. Van die dag af heette de berg ook Sint-Petrusberg. Rabanus maakte van de gelegenheid gebruik om op die Lioba-feestdag haar stoffelijk overschot met veel pracht en praal naar die kerk over te brengen. Bovendien had hij een kloostertje naast de kerk laten inrichten, waar hij monniken van Fulda onderbracht. Haar levensbeschrijver Rudolf heeft dit alles met eigen ogen gezien. Toch is dit alles opmerkelijk, want daarmee doorbrak Rabanus de laatste wens van Bonifatius. Waarom? Was hij er niet van op de hoogte? Dat is ondenkbaar met Rudolf's verhaal bij de hand. Paste het niet dat een vrouwelijke en mannelijke religieus zo dicht naast elkaar in de dood verenigd waren? Of wilde hij het juist mogelijk maken dat vrouwen Lioba's relieken ook konden vereren? Immers, als ze in de kloosterkerk van Fulda begraven lagen, was de kans groot dat ze zich binnen het kloosterslot bevonden, en dan zouden vrouwen zelfs helemaal niet hebben kunnen naderen tot de relieken om ze aan te raken...?

In datzelfde jaar 836 schreef Rabanus Maurus Lioba bij in zijn martelarenboek, een lijst van heiligen, gerangschikt op datum. Toen hij zes jaar later, in 842, na onenigheid met de keizer, zijn abtsfunctie neer te leggen, trok hij zich in dit kloostertje terug en wijdde zich geheel aan gebed en studie. Weer vijf jaar later verzoende de keizer zich met hem een benoemde hem tot bisschop van Mainz.

In het jaar 915 werden kerk en klooster op de Petersberg verwoest door binnenvallende Hongaren. Het ligt voor de hand dat bij de naderende dreiging Lioba's heilige resten in veiligheid werden gebracht. Of het daardoor komt dat ze in Fulda's kloosterkerk terugkeerden, weten we niet. In de 14e eeuw bleken ze zich in ieder geval daar te bevinden. En daar zijn ze nu nog.

Intussen bleef in de crypte onder de Peterskerk op de berg haar sarcofaag leeg achter... Daaruit ontstond het gebruik dat moeders hun kleine kinderen bij ziekte erin neer kwamen leggen in de hoop dat ze door op voorspraak van Lioba genezen zouden worden. Omdat die kinderen het vaak op een huilen zetten, heet die steen in het Duits 'Schreistein' ('Schreierssteen'). In de loop der eeuwen maakte Lioba's kerk op de Petersberg vele verwoestingen, verbouwingen en veranderingen. Toch staat ze er nog; ze heeft vele herinneringen aan de lieve abdis bewaard; met name de crypte waarin ze door Rabanus destijds werd bijgezet, is nagenoeg in de oorspronkelijke toestand bewaard gebleven.

9 Liobazusters
In 1920 stichtte Maria Föhrenbach een kloostergemeenschap voor vrouwen in de stad Freiburg im Breisgau. Zij was muzieklerares geweest aan het plaatselijk conservatorium. Als patrones kozen zij Lioba. Net als hun voorbeeld probeerden zij kloosterleven te combineren met actieve pastorale zorg. Zij zetten zich in op het gebeid van sociale zorg, verpleging en niet te vergeten onderwijs. In 1927 werden ze officieel kerkelijk goedgekeurd. Bij de dood van de stichteres in 1961 telde de gemeenschap 393 leden, verspreid over een aantal landen: Duitsland, Zwitserland, België, Nederland, Denemarken en India; terwijl een vestiging in Roemenië in 1947 door het communistisch regime werd verboden en opgeheven.

In Nederland hebben de Lioba-zusters een kloostertje te Egmond. In navolging van hun patrones houden zij zich vooral bezig met het vervaardigen van artistiek verantwoorde kerkelijke kunst.

10 Afbeeldingen
Lioba wordt meestal afgebeeld als abdis (staf) in benedictinessenhabijt, waarbij ze een boek, een sluier en/of een klok draagt; de klok vanwege de droom van haar moeder vlak voor haar geboorte. Soms wordt ze omgeven door bliksemschichten (vanwege het verhaal dat zij eens een gigantisch noodweer tot zwijgen had weten te brengen).


Bronnen
[000; 000:bk:Leinweber; 000»Crescens; 000»Michael:kerk/Fulda; 000:Rochus:bk:Bingen:75; 000»sys; 001; 101a; 102; 103; 106; 107; 108; 109; 110; 111; 111a; 112; 115; 122; 124p:43; 127; 128p:62; 132; 138; 142p:0755; 154; 198(voorpl.); 200; 204p:60; 233p:489; 265p:148; 303; 306p:23; Dries van den Akker s.j./2007.09.14]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen