× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1621  Jan Berchmans  

Info afb.
Onder: Het Gewone met Liefde en Roeping

Jan Berchmans sj, Rome, Italië; religieus & student; † 1621.

Feest † 13 augustus & 26 november.

Jan Berchmans werd op 12 maart 1599 te Diest (België) geboren als oudste van vijf kinderen. Zijn vader, eveneens Jan geheten, was schoenmaker en één der schepenen van de stad. Zijn moeder heette Elisabeth van den Hove; zij was een vrome vrouw, die veel ziek was.

Jans ouders hadden gehoopt, dat hij zou meehelpen in de zaak. Maar Jan zelf vatte al zeer jong het ideaal op om priester te worden. Op zijn negende jaar kreeg hij de kans om naar de plaatselijke school te gaan, terwijl hij met een aantal jongetjes die hetzelfde ideaal hadden als hij, intern leefde in het rectorshuis van de Onze-Lieve-Vrouweparochie. De pastoor gaf hem les in alles wat met kerk en geloof te maken had. Jan was een uitnemende leerling. Maar na de beëindiging van zijn derde schooljaar in 1612, haalde zijn vader hem er af. Er was eenvoudig geen geld. Toen de pastoor van het begijnhof te Diest hiervan hoorde, bood hij vader aan, dat hij Jan in huis zou nemen als huisknecht; in ruil daarvoor zou hij zijn opleiding betalen.
Reeds een paar weken later verhuisde hij onder dezelfde condities naar kanunnik Jan Froymont in Mechelen. Opvallend was, dat hij alle klusjes die hij op te knappen kreeg (tafeldekken en afruimen, huis schoonhouden, boodschappen rondbrengen, tuin bijhouden, voor twee jongere mede-internen zorgen), met zo'n opgewekt gemoed deed.

In 1615 openden de jezuïeten een college in Mechelen. Jan ging daarheen om zijn studies af te maken, en wilde jezuïet worden. Het was vooral het levensverhaal van Aloysius van Gonzaga († 1591; feest 21 juni), dat hem daartoe inspireerde.

Intussen was dat de zoveelste tegenvaller voor zijn ouders, die hem graag in de buurt hadden gehouden als parochiepriester. Tenslotte gaf vader toe. Jan was op dat moment 17½ jaar oud. Hij trad in het noviciaat van de paters jezuïeten op 24 september 1616. Daar leerde hij van zijn geestelijk leidsman de eenvoudige doch glanzende levenswijsheid die je als program boven heel zijn leven zou kunnen schrijven: 'Heiligheid bestaat niet in het verrichten van buitengewone dingen, maar in het buitengewoon verrichten van gewone dingen!' Nog tijdens dat eerste jaar kreeg hij in de maand december bericht, dat zijn moeder was overleden. Vader zou kort daarna de schoenmakerswinkel sluiten, zelf de priesterstudies op het seminarie aanvatten en twee jaar later al, in april 1618, priester worden gewijd.

Zoals elke jezuïet legde Jan na zijn twee jaar noviciaat de religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In september van datzelfde jaar 1618 begon hij in Antwerpen aan zijn filosofische studies. Daar gaven ze hem te verstaan dat hij was uitgekozen om zijn studies in Rome te voort te zetten. Hij had gehoopt op weg naar Rome zijn vader nog in Mechelen te kunnen treffen voor een afscheid, maar in plaats daarvan kreeg hij te horen, dat vader juist gestorven was, nog geen zes maanden na diens priesterwijding.

Jan arriveerde in Rome op de laatste dag van december 1618. Hij voltooide zijn drie jaar filosofie met glans, en werd gevraagd om het traditionele Openbaar Dispuut namens de jezuïetenopleiding aan te gaan. Niemand echter realiseerde zich, dat hij het gewone met buitengewone zorg verrichtte en hoeveel werk hij daarvoor verzette. Tot diep in de nacht. Het dispuut verliep prachtig, maar meer nog viel zijn ongezonde kleur op.

Hij bleek aan dysenterie te lijden, en zo verzwakt te zijn, dat er eigenlijk al niets meer aan te doen viel. Hijzelf sprak op zijn ziekbed met grote vanzelfsprekendheid over het paradijs... Huisgenoten, medestudenten, paters die in de stad waren, en zelfs Pater Generaal kwamen hem opzoeken om afscheid te nemen. In de kring van de communiteit ontving hij het sacrament der stervenden op 12 augustus 1621; een aanwezige noteerde later, dat Jan zelf de enige was die niet huilde en heel nuchter zijn kalmte bewaarde. De slapeloze nacht daarop bracht hij in gebed door. Toen de volgende morgen om even over acht de klok aanhoudend luidde van het huis, wist iedereen: onze broeder Jan is gestorven.

Zoals gebruikelijk in de jezuïetenorde schreef een huisgenoot - in dit geval zijn overste - een karakteristiek van de overledene, waaruit wij het volgende citeren: 'Wat wij allemaal zo in hem bewonderden, was dat hij zo deugdzaam was, zo... vanzelfsprekend deugdzaam. Met Gods genade wist hij van alles wat hij aanpakte iets bijzonders te maken; iets wat precies was zoals het moest zijn.'

Voetnoot over de keuze van 26 november als feestdag voor Jan Berchmans

Nergens heb ik tot nu toe aangetroffen waarom Jan Berchmans niet op zijn sterfdag, 13 augustus, wordt vereerd. Wellicht omdat deze dag te dicht viel voor Maria ten Hemelopneming, de 15e, zodat er voor de Sociëteit teveel hoge feestdagen te dicht op elkaar zouden volgen? Of was het omdat de 13e augustus altijd in de grote vakantie valt, zodat je deze jeugdheilige niet op school kon vieren?
En waarom dan gekozen voor de 26e november? Ook daar vind ik nergens een verklaring voor.
Het is niet zijn geboortedag; dat was 13 maart.
Ook niet de dag van zijn intrede bij de jezuïeten: dat was 24 september.
Ook niet de dag dat hij naar Rme vertrok of er aankwam: resp. 24 oktober en 31 december.
Ook niet de dag van zijn zalig- of heiligverklaring: resp. 28 mei en 5 januari.
De enige reden die in aanmerking lijkt te komen is het feit dat de brief waarin besloten wordt tot zijn heiligverklaring gedagtekend staat op 27 november 1887. (Schoeters, allerlaatste hoofdstuk).
Waarom staat zijn feest dan niet op 27 november? Als ik het goed heb, stond in die tijd daar al de gedachtenis van de Zalige Leonardus Kimura, Japanse jezuïetenmartelaar, op de huidige kalender toegevoegd aan de martelaren op 4 februari.
Heeft men daarom de vooravond van de publicatie van de pauselijke brief tot heiligverklaring gekozen?
Het enige dat we voorlopig kunnen constateren: het hangt van veronderstellingen aan elkaar.

Zie ook: 'Boekje over Jan Berchmans'

Jan Berchmans
Voor Rond Zending: 2008, april. Thema ‘Roeping’

11

Jan Berchmans met studieboek (Thomas van Aquino); op de achtergrond zijn geboorteplaats Diest.
Tekst op de banderol: ‘De Heer zond mij een stroom van vrede’.

De kleine Jan Berchmans is zes jaar. Zit in een hoekje van de huiskamer, heel stil. Moeder is ziek. Bij het geringste geluid rent hij naar haar toe, en doet wat ze vraagt. Vader is beneden in de schoenenzaak bezig. Of moet zich als schepen van de Vlaamse stad Diest bezighouden met politieke vraagstukken. Meestal moet Jan op zijn vier kleinere broertjes en zusjes letten. Wordt met ze de straat op gestuurd. Moet ze de hele dag bezighouden; spelletjes en tijdverdrijf verzinnen.

Het is toch te druk voor moeder. De kleintjes gaan het huis uit. Jan blijft achter in zijn hoekje, klaar om bij de eerste kik van moeder toe te snellen. Het liefst leest hij over Jezus of heiligen. Hij wil priester worden.

Jan is tien. Ook hij moet het huis uit. De pastoor neemt hem bij zich. Geeft hem les in ruil voor huishoudelijke karweitjes. Geen probleem. Heeft Jan steeds gedaan. Een kanunnik in Mechelen hoort ervan. Biedt hem een plaats op het priesterseminarie. Jan verdient de kost als huisknechtje. Bovendien moet hij twee Hollandse jongetjes bezighouden die gevlucht zijn voor de protestanten. Geen probleem; deed-ie thuis ook al. Komt hij overdag tijd te kort, dan studeert hij ’s nachts.

Er komt een jezuïetencollege in Mechelen. Jan wil erheen. Raakt zo onder de indruk van de paters en hun verhalen dat hij ook jezuïet wil worden. Naar China: ongelovigen bekeren. Maar de novicemeester zegt: "Het belangrijkste in het leven is niet buitengewone dingen te doen, maar om de gewone dingen op buitengewone wijze te doen."

Dat wordt Jans geheim. Hij mag in Rome gaan studeren. Omdat hij zo voorkomend is, wordt hij gevraagd gasten door de stad te leiden. Omdat hij met kinderen kan omgaan, gaat hij een buitenlander - de kinderen in de achterbuurten van Rome over Jezus vertellen. Als hij overdag tijd te kort komt, studeert hij ’s nachts. Omdat hij zo goed kan luisteren, mag hij jezuïetenstudent van amper twintig - belangrijke mensen in het openbaar te woord staan en vergaderingen voorzitten. Het vergt teveel van hem. Hij wordt ziek en sterft.

Je roeping volgen - zo zouden we van Jan kunnen leren - betekent niet dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kunt. Maar dat je de dingen die je kunt, doet in dienst van het evangelie: het gewone met liefde.


[Onderstaand artikel werd in het Spaans gepubliceerd in José A. MARTINEZ Puche O.P. (Director) ‘Nuevo Año Cristiano. Noviembre’ Madrid, Edibesa, 2002 ISBN 84-8407-210-X pp:448-452]
Samenvatting
Jan (Johannes) Berchmans: 'Het Gewone met Liefde'
geboren1599.03.13
ingetreden1616.09.24
gestorven1621.08.13
zaligverklaard1865.05.09
heiligverklaard1888.01.15

‘Mirakel. Mirakel’
Even over achten in de morgen van de 13e augustus van het jaar 1621 stierf op de ziekenafdeling van het Romeins College der jezuïeten frater Jan Berchmans, tweeëntwintig jaar oud. Diezelfde dag nog werd hij opgebaard in de St-Ignatiuskerk naast het College. Onmiddellijk stroomden gelovigen en souvenirjagers toe. Er ontstond een enorm gedrang; er werd geroepen: "Mirakel. Mirakel!" Na afloop van de gebedsdienst bleek dat velen een stukje van zijn kleding of van het kleed op de baar hadden afgescheurd en meegenomen. Het lijk moest opnieuw worden aangekleed. Het bleek zelfs een teen te missen...

Hoe was het mogelijk dat een jonge Vlaamse jezuïet, die amper drie jaar in Rome verbleef voor zijn studies, reeds zo beroemd was geworden, en onmiddellijk na zijn dood als een heilige werd vereerd?

De beste student
Ruim een maand tevoren, op 8 juli, had hij de aandacht op zich gevestigd doordat hij als de beste leerling van de opleiding het afsluitende dispuut had mogen houden. Dat was een soort openbaar examen, dat aan het eind van het schooljaar werd georganiseerd. Alle kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en andere notabelen van Rome werden uitgenodigd. Ieder die graag gezien wilde worden als weldoener van Gods Kerk, gaf acte de présence. Zij waren de sponsors. Vaak hing de grootte van hun schenking af van dat Openbaar Examen. Verliep dat goed, dan verkondigden zij in hun kringen met trots, dat zij daaraan bijdroegen.

De beste student van het jaar werd door een college van docenten en gastdocenten van concurrerende opleidingen aan de tand gevoeld over alle onderwerpen van de studie. De student moest telkens het betoog van de hooggeleerde vragensteller uit het hoofd samenvatten, punt voor punt nalopen en aantonen wat er juist in was en wat niet. En dat alles volgens de regels van de Latijnse welsprekendheid. Frater Jan had daarbij met zijn zachte stem beminnelijkheid gekoppeld aan ferme standpunten, bescheidenheid aan ontwapenende humor. Iemand in het publiek had gefluisterd: "Als je niet beter wist zou je zweren dat daar niet een jongeman stond, maar een engel."

Een maand later, afgelopen 6 augustus, had Jan als gastspreker de opleiding mogen vertegenwoordigen op een soortgelijk dispuut aan het Grieks College. Omdat de dagvoorzitter op het laatste moment verhinderd bleek, was hij gevraagd als invaller. Ook daar had hij de aanwezigen voor zich ingenomen door zijn hartveroverend optreden.

Ziekte en dood
Onmiddellijk na afloop van die zware dag in de hitte van de Romeinse zomer had hij zich met hoofdpijn bij de ziekenbroeder gemeld. In de dagen daarna verslechterde zijn toestand zienderogen. Hij was totaal uitgeput. Een week later stierf hij met een kruisbeeldje, zijn rozenkrans en het regelboekje in de hand.

Wat was zijn geheim? Zijn huisgenoten vertelden, dat Jan altijd vriendelijk was en opgewekt. Ze hadden hem tenslotte de bijnaam Frater Hilaris gegeven. Hij was een ijverige student. Als hij door verplichtingen overdag, te weinig aan zijn studie was toegekomen, zag je tot diep in de nacht licht branden op zijn kamer. Hij was voorkomend, deed alles wat hem gevraagd werd met een verbazingwekkende opgewektheid. Een van zijn medebroeders zei: "Hoe hij het klaarspeelt weet ik niet, maar als ik in een sombere bui ben, ga ik in zijn buurt zitten; dan is het zo over." Als de jezuïeten een goede indruk wilden maken op mensen van buiten, dan werd bij voorkeur Frater Hilaris gevraagd. Hij nam de mensen voor zich in; geen moeite was hem teveel. Dat was tenslotte ook zijn dood geworden.

Aantekeningen
Dat bleek eens te meer, toen zijn rector, Pater Cepari, Jans persoonlijke aantekeningen doorbladerde. Daarin stond te lezen hoe vroom Jan was; hoeveel waarde hij hechtte aan zijn gebedsleven. Hoe hij probeerde in alles God te dienen, met name in de gewone dingen van alledag. Precies zoals hij het in het noviciaat van zijn novicemeester geleerd had: "Het belangrijkste in het leven is niet buitengewone dingen te doen, maar om de gewone dingen te doen op buitengewone wijze." Voor hem was elke dienst die hem gevraagd werd, een dienst aan Jezus zelf. Studie, tegenzin en zelfs lichamelijk ongemak telden niet. Pater Cepari ontdekte dat Jan al maanden voor zijn dood leed aan hoofdpijn en chronische moeheid. Daar hadden ze in huis nooit iets van gemerkt. Jan had zich daar consequent overheen gezet. De anderen en zijn studie waren belangrijker: zo diende hij God; en hij droeg zijn pijn op als zijn bijdrage aan Jezus' lijden.

Jeugdjaren
Pater Cepari besloot een boek aan Jan te wijden, zoals hij dat ook had gedaan, toen dertig jaar eerder Aloysius van Gonzaga reeds op 23-jarige leeftijd was gestorven. Hij stuurde twee Vlaamse studenten naar huis terug met een relikwie van Jan. Zij moesten in Vlaanderen navraag doen naar Jans jeugd: in zijn geboorteplaats Diest, en in Mechelen waar hij in de kost was geweest en het noviciaat had doorlopen. Zijn vader was meester maatschoenmaker, en zat in het stadsbestuur; zijn moeder was burgemeestersdochter. Jan was de oudste van vijf kinderen die binnen zes jaar geboren werden. Omdat moeder ziek werd, leerde hij vroeg zich thuis aan te passen, mee te helpen in het gezin, niet teveel lawaai te maken, allerlei karweitjes te doen, met de kleintjes buiten te spelen, zich zachtjes in een hoekje terug te trekken. In die tijd groeide al in hem het verlangen priester te worden. Op zijn tiende werden de kinderen toch uit huis geplaatst. Jan kwam bij een naburige pastoor die hem gezien zijn karakter en kwaliteiten voor een redelijke vergoeding graag in huis nam. Na twee jaar verhuisde hij naar Mechelen om er naar de 'Grootschool' te gaan. Hij woonde in bij een kanunnik en verdiende er de kost als huisknecht en door de zorg voor twee Hollandse jongetjes op zich te nemen. Al was hij pas dertien jaar, toch ging hem dat goed af, want hij had nooit anders gedaan. Als hij overdag teveel tijd kwijt was aan zijn verplichtingen, studeerde hij 's nachts.

Intrede bij de jezuïeten
Toen er drie jaar later een jezuïetencollege in de stad werd gesticht, wilde Jan daarheen. Heel zijn omgeving was ertegen. Maar Jan ging. Datzelfde deed zich voor, toen Jan besloot bij de jezuïeten in te treden. Daar was een lange tijd van afwegen en bidden aan voorafgegaan. Hij had zelfs zijn zorgvuldig voor boeken opgespaarde kapitaaltje goeddeels besteed aan missen om tot een juiste levenskeuze te komen. Wat trok hem in de jezuïetenorde? We kunnen denken aan de inspirerende lessen van de paters op het college, waar wetenschap en geloof met elkaar in verband werden gebracht. Die lessen speelden in op zijn weetgierigheid en zijn verlangen naar geestelijke verdieping; ook hier was hij de beste leerling van zijn jaar. Of we denken aan de persoonlijke begeleiding van de paters in gebed en studie. Aan het feit dat Jan lid was geworden van de Maria-Congregatie, waar hij zijn hart kon ophalen aan de vrome praktijken die een congreganist plechtig beloofde te doen. We kunnen denken aan de principiële opstelling van de paters tegenover de opkomende Reformatie; zij stonden pal voor hun geloof en bestreden dapper leerstellingen die zich op dwaalwegen begaven. Als Jan straks zijn ouders uitlegt dat hij bij de paters wil intreden, noemt hij de Sociëteit ‘de Hamer van alle ketterijen’. Maar zelf zal Jan later zeggen dat hij pas op de gedachte kwam om in te treden nadat hij de levensbeschrijving van Aloysius had gelezen. Aloysius was stamhouder van het beroemde geslacht der Gonzaga’s, maar hij werd van jongs af aan geboeid door de dingen van God. Al het andere verloor daarbij zijn glans. Opvallend voor iemand die gewend was te vertoeven te midden van het meest verfijnde hofleven. Uit liefde voor de lijdende Christus was Aloysius pestlijders gaan verzorgen. Hij raakte zelf besmet en bezweek. Dat herkende Jan: hoe onweerstaanbaar God kan boeien en trekken aan je, dwars door alles heen. Al het andere, zelfs eigen welzijn en gezondheid blijken dan van minder belang. Hij las hoe Aloysius vriendelijk en met pijn in het hart de woede van zijn vader had weerstaan. Jezuïet worden was niet wat vader Gonzaga voor zijn zoon gedroomd had. Dat gold voor Jan ook. Nadat hij zijn beslissing genomen had om in te treden, schreef hij een brief aan zijn ouders. Zoals hij kon verwachten heeft zijn vader hemel en aarde bewogen om hem het idee uit zijn hoofd te praten. Jan, die anders zo volgzaam was, bleek onvermurwbaar zonder zijn vriendelijkheid te verliezen. Net als zijn grote voorbeeld. Toen hij nog maar amper een maand in het noviciaat zat, kwam het bericht dat moeder stervende was: of hij naar huis kwam om afscheid te nemen. Jan ging niet; hij schreef een vrome brief. Het heeft zijn ouders pijn gedaan. Maar enkele maanden na moeders dood meldde vader zich aan voor de priesterstudie. Ruim een jaar later volgde zijn wijding.

Heilige
Wat maakt Jan tot een heilige? We zouden kunnen denken aan zijn vermogen om pijn en lichamelijk ongemak ondergeschikt te maken aan zijn dagelijkse plichten en liefdediensten. Jezus deed immers net zoiets in Gethsemani: "Vader niet mijn wil, maar uw wil geschiede." Hoe heldhaftig Jans houding in deze ook is en hoezeer ingegeven door het enthousiasme van zijn jonge leeftijd, hier past toch een kritische noot. Vader Ignatius heeft er altijd de nadruk op gelegd dat gezondheid heel belangrijk is. Volgens de Constituties had Jan opener en duidelijker moeten zijn jegens zijn overste op dit punt. Ook Jans overste zelf en de huisgenoten hadden daar meer aandacht voor moeten hebben.

Misschien moeten we zijn heiligheid meer zoeken in zijn verlangen om van de meest gewone dingen een liefdedienst te maken. In de geest van Vader Ignatius: in alles God zoeken en vinden. In alles liefhebben en dienen. Biddend mens zijn. Blijkens de reacties van zijn omgeving werd hem die genade ook gegeven.

De kinderjaren van Jan zijn getekend door de ziekte van moeder. Vanaf zijn tiende heeft hij geen eigen thuis meer gekend. Noodgedwongen leerde hij gehoorzamen, behulpzaam zijn, stil zijn, met kleine kinderen optrekken, attent zijn op wat de ander nodig heeft, zichzelf wegcijferen; 's nachts studeren als het er overdag niet van gekomen was. God weet met hoeveel pijn deze deugden in hem gegroeid zijn. En het zijn precies deze eigenschappen, waar de mensen bij hem als jonge jezuïet zo van onder de indruk raakten. Zijn religieus leven bestond erin precies wat hij als kind geleerd had van harte in dienst van God te stellen. Voor God leven, zo zouden we van Jan kunnen leren, betekent niet dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kunt. Maar dat je de dingen die je kunt, doet in dienst van het evangelie: het gewone met liefde.


Union Jack Summary, translated by Johan Schmal
Jan (Johannes) Berchmans: ‘The ordinary with love’
born1599.03.13
entrance1616.09.24
death1621.08.13
beatified1865.05.09
canonized1888.01.15

‘A miracle. A miracle’
Shortly after eight o’clock in the morning of August 13th of the year 1621 father Jan Berchmans died at the age of twenty-two in the sick ward of the Roman College of Jesuits. He was laid out in the Saint Ignatius Church next to the College on the same day. Believers, and souvenir hunters, immediately came pouring in. There was pushing and shoving; people cried: “A miracle, a miracle!” After the prayer service it turned out that many people had torn a small piece from his clothes or the cloth on the bier, and taken it with them. The corpse had to be clothed anew. There was even a toe missing...

How was it possible for a young Flemish Jesuit, who had lived in Rome to study for hardly three years, to have become as famous as that, and to be venerated as a saint right upon his death?

The best student
Over a month before, on July 8th, he had drawn people’s attention to himself because, being the best student of the Jesuit training, he was allowed to hold the final debate. It was a kind of public examination that was organised at the end of the school year. All clerical and other dignitaries of Rome were invited. Anyone who was eager to be seen as beneficiary of God’s Church would attend. They were the sponsors. Often, the size of their donation depended on that Public Exam. If that went down well, they would proudly proclaim in their circles that they had contributed to it.

The best student of the year was challenged on all subjects of the study by a committee of teachers and guest teachers from competing trainings. The student was to summarize each argument of the learned examiner by heart, iterate each point and demonstrate what was right in it and what was not. And all that in compliance with the rules of Latin eloquence. In doing so, father Jan, soft-spoken as he was, combined amiability with firm views, and modesty with disarming humour. Someone in the audience whispered: “For all I know, rather than a young man standing there, he could be an angel.”

A month later, on August the 6th, Jan had been allowed to represent the training college in a similar debate at the Greek College. As it appeared at the last minute that the chairman of the day was unable to attend, Jan was asked to stand in. There too, those present were pleased by his charming performance.

Illness and death
Immediately after that tough day in the heat of the Roman summer he called on the nurse with a headache. In the following days his health deteriorated noticeably. He was completely exhausted. A week later he died with his cross, rosary and the rulebook in his hand.

What was his secret? His housemates said that Jan was always kind and cheerful. Indeed, they had nicknamed him brother Hilaris. He was a diligent student. When he had spent too little time on his studies because of his daily occupations, you could see the light in his room burning until very late at night. He was courteous, did everything he was asked to do with remarkable cheerfulness. One of his fellow brothers said: “I don’t know how he does it, but whenever I am in a sombre mood, I go and sit with him; then it will be gone in a minute.” Every time that the Jesuits wanted to make a good impression on other people, they preferably asked brother Hilaris. People liked him; nothing was too much for him. It duly led to his death in the end.

Notes
Further proof of this was found when his rector, Father Cepari, leafed through his personal notes. Within them he read of Jan’s devoutness and his attachment to his praying life. How he tried to serve God in everything, especially in the ordinary things of everyday life. Exactly as he had learnt it from his novice master in the novitiate: “The most important thing in life is not to do extraordinary things, but to do the ordinary things in an extraordinary way.” For him, any service that was asked of him was a service to Jesus himself. Study, aversion and even physical discomfort were of no consequence. Father Cepari found that Jan had suffered from headaches and chronic fatigue for months before his death. That had gone completely unnoticed at home. Jan had consistently taken all this in his stride. The others and his study were of more importance: he served God in that way; and he dedicated his pain to Jesus, as his offering to Jesus’ suffering.

Youth
Father Cepari decided to write a book about Jan, as he had done before when, thirty years earlier, Aloysius Gonzaga had died at the age of 23. He sent two Flemish students back home with a relic of Jan. They had to make inquiries about Jan’s youth: in his birthplace Diest, and in Mechlin where he lived in lodgings and had completed the novitiate. His father was a master shoemaker, and a member of the town council; his mother was the daughter of a mayor. Jan was the eldest of five children, who were born within a six-year period. As his mother fell ill he learned to adjust himself at home already at an early age, to lend a hand in the family, not to be too noisy, to do the odd chore, to take the little ones out to play, to quietly withdraw in a corner. In that time already, the desire to become a priest grew in him. When he was ten years old, the children were placed into care anyway. Jan came to live with a neighbouring pastor who was pleased, given Jan’s character and qualities, to take him in for a reasonable fee. Two years later he moved to Mechlin in order to visit the ‘Grootschool’ (secondary education). He lived with a canon and earned his living there as a servant taking care of two Dutch boys. Even though he was only thirteen he did well for he had never done anything else. Each time that his duties took up too much of his time during the day, he would study at night.

Entrance in the Jesuit Order
When, three years later, a Jesuit College was founded in the town, Jan wanted to go there. Everyone around him was against it. But Jan went there all the same. The same happened when Jan decided to enter the Jesuit Order. This was preceded by a long period of pondering and praying. He had even spent the greater part of the money that he had carefully saved up for books, on masses in order to come to the right choice for his life. What attracted him in the Jesuit Order? We may think of the inspiring lessons of the fathers at the College, in which science and faith were brought together. These lessons responded to his inquisitiveness and his desire for spiritual deepening; here too, he was the best pupil of his year. Or we may think of the personal guidance of the fathers in prayer and study. Or the fact that he had joined the Congregation of Mary, where he could perform to his heart’s content the pious practices that a congregationalist solemnly promised to do. We may also think of the principled position of the fathers on the emerging Reformation; they stood firm in their belief and bravely opposed errant doctrines. Later, when Jan explains to his parents that he wants to join the fathers, he calls the Society ‘the Hammer of all heresies’. But Jan himself will later state that he had not thought of entering before he read the biography of Aloysius. Aloysius was the heir to the famous family of Gonzagas, but from an early age he had been captivated by God´s affairs. Everything else lost its appeal in comparison. Remarkable for someone who was used to spend his time in a very refined life at court. Out of love for Christ, Aloysius had taken up the care for plague victims. He became contaminated himself and perished. It is this that Jan recognized: the irresistible way in which God may captivate and attract you, through everything. Anything else, even one’s own welfare and health, appear less important. He read that Aloysius had resisted his father’s anger, kindly and with pain in his heart. To become a Jesuit was not the dream that father Gonzaga had cherished for his son. The same applied to Jan. After he had decided to enter, he wrote a letter to his parents. As could be expected, his father moved heaven and earth to dissuade him. Jan, who had always been compliant, appeared adamant without losing his kindness. Just like his great inspiration. When he had only been in the novitiate for a month, he received the message that his mother was dying; a plea to him to come home and say goodbye. Jan did not go; he wrote a pious letter. This was painful for his parents. But some months after his mother had died his father applied for the priests’ training. His priestly ordination took place more than a year later.

Saint
What makes Jan a saint? We might think of his ability to subordinate his pain and physical discomfort to his daily duties and services of love. After all, Jesus did the same in Gethsemani: “Father, let your will be done, not mine.” However courageous Jan’s attitude is and however much it was prompted by the enthusiasm of his young age, a critical note is appropriate here. Father Ignatius has always emphasised that health is very important. According to the Constitutions Jan should have been more open and clear towards his superior on this matter. Jan´s superior and his housemates, too, should have been more aware of it.

Maybe we should try and seek his holiness in his desire to turn even the most ordinary things into services of love. In the spirit of Father Ignatius: to seek and find God in all things. To love and to serve in everything. To be a person of prayer. According to the reactions op the people around him, this grace was actually bestowed upon him.

Jan’s childhood years were marked by his mother’s illness. He had not had a home of his own since the age of ten. Of necessity he learned to obey, to be helpful, to be quiet, to take care of little children, to look out for other people’s needs, to efface himself; to study at night when he could not have done so during the day. God knows with how much pain these virtues have developed inside him. And these are the very qualities in him, as a young Jesuit, which impressed people. The meaning of his religious life was to put everything that he had learned as a child at the service of God. To live for God, we might learn from Jan, does not imply that one must do things that one really is not capable of doing. But one should do, in the service of the gospel, the things that one can do: the ordinary, with love.


Bronnen
[Delehaye s.j., Hippolyte ‘St Jean Berchmans (1599-1621) Paris, Lecoffre, 1932. Coll. 'Les Saints';  Foley s.j., Albert S. ‘A Modern Galahad. St. John Berchmans’ Milwaukee, Bruce, 1937; Penning de Vries s.j., P. ‘Jan Berchmans. Een heilige van in de twintig’ (‘A saint of over twenty’) Brugge, Tabor, 1984. Reeks 'Voorbeelden en Voorsprekers' (Series: Inspirations and intercessors’) nr.2; Schoeters s.j., K. ‘Sint Jan Berchmans, kind van zijn volk en zijn tijd.’(‘Saint Jan Berchmans, a child of his people and his time’) Tielt, Lannoo, 1932; Van Bever, Johan ‘Het zonnige leven van Sint Jan Berchmans. Zijn geschriften, relikwieën en portretten.’ (‘The bright life of Saint Jan Berchmans. His works, relics and portraits.’) Diest, Pro Arte, 1947; Dries van den Akker s.j./2002]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen