m Contact
Andreas 
WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamenMeer...

Johannes schrijft: 'Jezus de Herder' 


Jezus de Herder
Voor 'De Heraut' / 2003.02.14

"Ik ben de goede herder", sprak Jezus, "de goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen." Johannes legde zijn pen neer en keek op van zijn papier. Eigenlijk was hier alles mee gezegd. Hoe vaak had Hij de woorden en daden van Jezus overwogen? Naarmate hij ouder werd, bleken ze steeds meer rijkdom te bevatten. Tegen de honderd was hij, Johannes, nu. En nog altijd raakte Hij op Jezus niet uitgekeken.

Intussen was het ruim zeventig jaar geleden dat Jezus was langsgekomen daar aan het Meer van Genezareth? Met die eenvoudige woorden: "Volg Mij." Samen met zijn broer Jacobus hadden ze vader in de boot achtergelaten, en waren de man gevolgd. Wat was dat toch geweest in zijn stem, zijn oogopslag, zijn gestalte, dat ze zonder zich te bedenken meegegaan waren? Dat ene moment had Johannes' leven volkomen veranderd. Van die dag af was het alleen nog maar bepaald door Jezus.

Herders als voorbeeld

"Ik ben de goede herder..." Jezus had zich geregeld vergeleken met een herder. Vooral met de herders uit het Oude Boek: Abel, de eerste schaapherder uit de geschiedenis, wiens bloed vergoten was (Lukas 11,51). De aartsvaders Abraham, Isaak, Jakob, Jozef en zijn broers. Mozes die zijn kudde ver de woestijn in dreef, tot God Hem daar aansprak en hem tot herder van mensen maakte. David die zijn schapen soms uit de bek van leeuwen en beren had moeten bevrijden. Stuk voor stuk waren het vaklui geweest. Omringd door woestijnen hadden zij steeds grazige plekjes gevonden en de kudde in leven weten te houden. Natuurlijk had de psalmendichter hun beeld voor ogen gehad, toen hij zong: "Mijn Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets" (Psalm 23).

Daar had Jezus op gezinspeeld, toen hij de vijfduizend had gevoed. Johannes sloeg het evangelie van zijn collega Markus er nog eens op na, nu alweer ruim twintig jaar geleden geschreven. Het was, toen zij op stage waren geweest en enthousiast verslag uitbrachten. 'Jezus had toen gezegd: "Kom nu zelf eens mee naar een woestijnplaats om alleen te zijn en rust wat uit." Want wegens de talrijke gaande en komende mensen hadden zij zelfs geen tijd gehad om te eten. Zij vertrokken dus in de boot naar een woestijnplaats om alleen te zijn. Maar velen zagen Hem gaan en begrepen waar Hij heenging; uit alle steden kwamen de mensen te voet daarheen en waren er nog eerder dan zij. Toen Jezus aan land ging, zag Hij dan ook een grote menigte. Hij gevoelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder...' (Markus 06,31-34). Zo had de profeet EzechiŽl dat ooit gezegd; zo had Jezus het op dat moment gevoeld. Met een glimlach bedacht Johannes dat Markus psalm 23 had gebruikt als grondpatroon voor het verhaal van het broodwonder: "De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij in grazige weiden rusten, Hij voert mij naar vredig water." Verderop in het verhaal zal Jezus de mensen uitnodigen te gaan zitten en dan blijkt daar in die woestijn veel gras te zijn: grazige weiden in de woestijn! Met een handvol broden had Hij de vijfduizend aanwezigen te eten gegeven. Juist zoals de psalm zong: "Daar geeft U mij nieuwe kracht. Voor mijn ogen dekt U de tafel." Een herder die de kudde in leven houdt en het beste voedsel weet te vinden. Achteraf gezien was dat brood van de vijfduizend een voorafspiegeling geweest van Jezus zelf. Precies zo immers had Hij op de laatste avond van zijn leven het brood in zijn handen genomen, gebroken en uitgedeeld onder zijn leerlingen met de woorden: "Dit ben Ik, gebroken voor jullie..." "Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen..." Via zijn leerlingen had dat brood van Jezus zich intussen vermenigvuldigd over veel meer dan vijfduizend mensen.

Jezus is het woord

Jezus had de psalm en de woorden van de profeet EzechiŽl tot de zijne had gemaakt: "Want, zegt de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt. Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze een rustplaats wijzen. het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen..." (34,11-16). Juist zoals God het destijds de herders van het volk had kwalijk genomen dat zŪj dat niet gedaan hadden, zo deed Jezus dat in zŪjn leven. Alleen de omstandigheden waren veranderd. Was het ten tijde van EzechiŽl de schande van de ballingschap geweest, die aan de religieuze leiders werd verweten, Jezus' woorden sloegen op de harteloze houding van de herders die wel precies wisten te vertellen hoe zondig de mensen waren, maar geen vinger naar hen uitstaken en hen rustig verloren lieten gaan. En dat, terwijl zij juist aangesteld waren om te doen wat God deed. En wat deed God? Zonden vergeven. Mensen bevrijden van zware lasten en schulden die op hun schouders drukten. Jezus had zich het lot van die mensen aangetrokken. Voor die arme schapen betekende dat eindelijk een toevlucht, een rustpunt. Maar Jezus had het moeten bekopen met de argwaan en de vijandschap van de religieuze herders: "Hij gaat om met tollenaars en zondaars."

Johannes nam het evangelie van Lukas er nog eens bij: "Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er ťťn van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders, gaat naar huis en roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: 'Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden'. Ik zeg u: zo zal er meer vreugde zijn over ťťn zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben."

Dat was Jezus' roeping geweest, zijn spiritualiteit. Hij had het niet alleen gelezen bij EzechiŽl, maar ook bij Jesaja: "Als een herder zal Hij zijn kudde weiden; in zijn arm brengt Hij de lammeren samen en draagt ze aan de borst, terwijl Hij de ooien voor zich uitleidt" (40,11).

Geeft zijn leven

Het had Hem uiteindelijk zijn leven gekost: "Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen..." Toen de leiders van zijn dagen het net steeds dichter om Hem heensloten, was Hij niet gevlucht: "Een huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg..." Jezus had zich geen huurling gevoeld, maar een echte nakomeling van de David van de leeuwen en de beren; de David die als herdersjongen reusachtige vijanden had verslagen. Hij had op God vertrouwd en was in tegenstelling tot zijn volksgenoten niet gevlucht (1 SamuŽl 17).

Voor de zoveelste keer werd Johannes overweldigd door verwondering; verbijstering over zoveel liefde. Daar was gewoon iemand gekomen om het op te nemen voor de zwakken en de zondaars. En daar was hij, Johannes, getuige van geweest. Wat was hem en zijn mede-apostelen toch overkomen. Wat was toch Jezus' geheim? Wat had Hem toch bezield, dat Hij van het begin af aan zo begaan was met mensen die dat eigenlijk helemaal niet verdienden? De allereerste daad van zijn openbaar leven had daar immers al op gewezen. Hij had zich laten dopen door Johannes in de Jordaan. Wie zich liet dopen gaf ten aanschouwen van iedereen te kennen dat er nog iets schoon te wassen viel in je leven; je verlangde naar zuivering, omdat er nog zoveel onzuiver was. Daar was Jezus tussen gaan staan. Maar als nu iemand dat niet nodig had, volgens zijn leerlingen, dan was dat precies Jezus wel. Johannes de Doper had dan ook opgemerkt: "Heer, het moet eerder andersom zijn: ik moet mij door U laten dopen, niet U door mij!" Maar Jezus had hem gezegd dat het zo goed was. Dat was door een wolk en een stem uit de hemel bevestigd: "Deze hier is mijn veelgeliefd kind" (MatteŁs 03,17).

Jezus' geheim

Wat maakte Hem tot dat veelgeliefde kind? Wat had Hem bezield? Dat was natuurlijk precies het feit dat Hij zich zomaar had geschaard tussen de verkeerde mensen. Die daad was de opmaat voor zijn leven geworden; tot ergernis van zijn tegenstanders: "Hij gaat om met tollenaars en zondaars..." Dat deed je niet. Je verontreinigde je ermee, voor God en de mensen. En toch had Hij het gedaan. Zo was Hij juist herkenbaar kind van God. Jezus is nooit meer van de zijde van die lieden, van ons geweken. Zelfs zo dat Hij uiteindelijk ter dood gebracht tussen twee notoire misdadigers. Op dat moment merkt Markus op: "Zo ging het schriftwoord in vervulling: 'Hij is onder de booswichten gerekend'." Maar dat citaat had net zo goed boven zijn hele leven kunnen staan. Wat had Hem bezield?

Johannes herinnerde zich Jezus' woorden aan tafel: "Niemand heeft groter liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden" (Johannes 15,13) Dat was het wat Jezus bewoog: liefde. Waar hadden ze die aan verdiend? Nergens aan. Liefde verdien je niet. Je krijgt ze. Zomaar. Gratis. Anders is het ook geen liefde. Dat was dus Jezus' geheim. Dat had natuurlijk destijds doorgeklonken in zijn stem: "Volg Mij..." Johannes boog zich weer over zijn papier en schreef: "Hij sprak: Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader mij kent, en Ik de Vader ken..."

Alles begint bij het gekend zijn door de Vader. Dat is de bron. Met opzet gebruikte Johannes het intieme woord 'kennen' uit het scheppingsverhaal: "Adam kende zijn vrouw Eva en zij werd zwanger" (Genesis 03,01). 'Kennen' is liefhebben; het is vruchtbaar en brengt nieuw leven voort. Allemaal op Jezus van toepassing! Deze Jezus die hij, Johannes, kende: "Die wij met eigen ogen hebben aanschouwd en met onze handen hebben aangeraakt..." (1 Johannes 01,01). De Jezus die van zijn leerlingen nieuwe mensen gemaakt had: van dezelfde liefde vervuld als Hijzelf. Hadden op dit moment dat hij zat te schrijven, de andere elf immers niet stuk voor stuk reeds hun leven gegeven voor de kudde? Hij was nog de enige die in leven was.

Weid mijn schapen

Zijn gedachten gingen terug naar dat allerlaatste, geladen moment dat Jezus hem en Simon Petrus ter zijde had genomen: "Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?' Hij antwoordde: 'Ja Heer, Gij weet, dat ik U bemin.' Jezus zei hem: 'Weid mijn lammeren.' Nog een tweede maal zei Hij tot hem: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?', waarop deze antwoordde: ' Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.' Jezus hernam: 'Hoed mijn schapen.' Voor de derde maal vroeg Hij: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?' Nu werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: 'Hebt ge Mij lief?' en hij zeide Hem: 'Heer, Gij weet alles: Gij weet dat ik U liefheb.' Daarna zei Jezus hem: 'Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: toen ge jong waart, deed ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zult zijn, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.' Hiermee zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: "Volg Mij." Toen Petrus zich omkeerde, zag hij, dat de leerling van wie Jezus veel hield, hen volgde; dezelfde die ook bij de maaltijd tegen Jezus ' borst had geleund en gezegd: "Heer, wie is het die U zal overleveren." Toen Petrus hem nu zag, vroeg hij aan Jezus: "Wat dan met hem?" Waarop Jezus hem zei: "Als ik hem wil laten blijven tot Ik kom, is dat uw zaak? Gij moet Mij volgen!" Zo ontstond onder de broeders het gerucht, dat die leerling niet zou sterven. Doch Jezus had hem niet gezegd, dat hij niet zou sterven, maar: "Als Ik hem wil laten blijven tot Ik kom, is dat uw zaak?"

En Johannes besluit zijn evangelie: "Dit is de leerling, die van deze dingen getuigt en dit geschreven heeft..."

Bronnen

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 23 jan 2014

VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?Verantwoording afb.BronnenWoordenboekGastenboek
Ga ook eens naar www.beeldmeditaties.nl Interessant!