Overzicht BM  m Gastenboek m Vertel verder m Contact
Andreas 

        De website met meer dan 5545 heiligen, 4226 voornamen en 8548 afbeeldingen        

WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamen SJ Meer

Elfduizend

In de jaren 1263 1273 stelt de Genuese bisschop Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) zijn beroemd geworden ‘Legenda Aurea’ samen. Waarschijnlijk bedoeld als preekstof voor zijn medebroeders, die net als hij dominicaan of predikheer waren. Op 21 oktober vertelt hij de legende ‘De Elfduizend Maagden

- 1 -
‘In Brittannië leefde en vrome christenkoning, Nothus of Maurus geheten. Hij had een dochter, Ursula. Zij was mooi en wijs en stond in het hele land bekend om haar rechtschapen levenswandel.
De toenmalige koning van Engeland was een machtig man en had vele volkeren aan zich onderworpen. Ook hij hoorde van de maagd Ursula en sprak:
"Ik zou de gelukkigste man van de hele wereld zijn, als ik haar als bruid kon geven aan mijn enigste zoon."

De jongeman wilde dat zelf ook heel graag. Dus zonden ze herauten naar Ursula’s vader. Ze moesten hem complimenten geven en grote geschenken in het vooruitzicht stellen. Desnoods moesten ze hem bang maken met bedreigingen als zij met lege handen bij hun meester zouden terugkomen.
Dat verzoek bracht de koning in geweldige gewetensnood, want hij wilde zijn christendochter niet tot vrouw geven aan een of andere afgodendienaar. Trouwens dat ze zelf ook nooit en te nimmer willen. Tegelijk was hij beducht voor de woede van de koning.
Maar de hemel gaf het Sint Ursula in haar vader te adviseren op het voorstel van de koning in te gaan; echter op voorwaarde dat zij als troost van de koning en haar eigen vader tien voortreffelijke maagden zou krijgen; en dat zij elven elk op hun beurt nog eens duizend maagden als mochten uitkiezen om hen gezelschap te houden. Dan wilden zij een schip hebben en drie jaar de tijd krijgen om hun maagdelijkheid te beleven. In de tussentijd zou de jongeman zich moeten laten dopen en zich de christelijke levenswijze eigen maken. Deze goede raad had vooral de bedoeling de begeerte van de jongeman temperen door hem allerlei moeilijkheden in de weg te leggen. Bovendien wilde zij dat zoveel mogelijk maagden zich aan God zouden toewijden.

Maar de jongeman was het er helemaal mee eens en nam de uitdaging aan. Hij drong er met groet ijver bij zijn vader op aan dat het zo gebeuren zou. Hij liet zich dopen en gaf opdracht dat men aan alle wensen van Ursula tegemoet moest komen. Maar de vader van het meisje gebood dat er ook mannen in haar gevolg mee zouden gaan. Ze zouden zeker hun steun en bescherming nodig hebben.

Zo kwamen de meisjes van alle kanten bij elkaar. En iedereen kwam er naartoe om dit grote wonder met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Ook bisschoppen sloten zich aan om mee te gaan. Onder bevond zich de bisschop van Basel, Pantulus. Hij geleidde hen naar Rome, en weer terug naar Basel en stierf uiteindelijk met hen de marteldood. Zo ook Sint Serafina, de koningin van Sicilië, die haar gemaal, een verschrikkelijke bruut van een koning had omgevormd van een wolf in een lam; zij was een zuster van bisschop Maurisius en Daria, Sint Ursula’s moeder. Zodra zij de brief van Ursula’s vader ontvangen had waarin de plannen ontvouwd werden, gaf God haar in erheen te gaan. En dus voer ze naar Brittannië tezamen met haar vier dochters: Babilla, Juliana, Victoria en Aurea en met haar zoontje Adrianus die meeging uit liefde voor zijn vier zussen. Haar koninkrijk vertrouwde ze toe aan een andere zoon. Zij was het die de maagden uit alle koninkrijken bijeenbracht en behield de leiding over ze tot het moment dat ze allen de marteldood ondergingen.

Toen aan alle voorwaarden van Ursula was voldaan en er voldoende voedsel aan boord was genomen, maakte Sint Ursula het plannetje bekend dat ze bedacht had. En zo legden ze allen een riddereed af. Toen begonnen ze oorlogje te spelen: nu eens verzamelden ze zich dan weer gingen ze uit elkaar; de ene keer gingen ze de strijd aan, de andere keer sloegen ze op de vlucht. Zo oefenden zij spelenderwijs allerlei situaties in. Alles wat ze bedachten, werd ook uitgevoerd. Daarbij kwamen ze de ene dag al ’s middags terug, de andere pas laat in de avond. Edelen en vorsten kwamen op dit grote wonder af; met blijde verwondering sloegen zij dit alles gade.

Toen Sint Ursula alle maagden tot het geloof had bekeerd, brak de dag aan dat zij met gunstige wind naar Gallië voeren, en wel naar de havenplaats Thyella . Vandaar ging het naar Keulen. Daar verscheen er een engel van de Heer aan Ursula. Deze verkondigde haar dat zij weer naar Keulen zouden terugkomen en dat ze daar de martelaarskroon zouden ontvangen. Daarop voeren zij op bevel van de engel naar Rome. Zo kwamen ze in de stad Basel; daar lieten ze hun schepen achter en gingen over land te voet verder naar Rome. Paus Cyriacus was zeer verheugd toen zij bij hem kwamen. Hij was zelf afkomstig uit Brittannië, en hij trof vele familieleden in het gezelschap. Tezamen met zijn geestelijken ontving hij ze dus met veel eerbetoon. Die nacht werd hem van Godswege verkondigd dat hij met deze maagden de marteldood zou ondergaan. Hij zei er niets over, en doopte de volgende ochtend alle meisjes die nog niet gedoopt waren. Omdat de tijd begon te dringen, maakte hij zijn voornemen bekend ten aanhoren van een grote menigte, en deed afstand van zijn waardigheid. Op dat moment had hij één jaar en elf weken als de negentiende opvolger van Petrus aan het hoofd van de Kerk gestaan. Toen begonnen ze allemaal te protesteren, vooral de kardinalen. Ze dachten dat hij zijn verstand verloren had door afstand te doen van de pauselijke waardigheid en achter een stel idiote vrouwen aan te rennen. Maar hij liet zich niet van stuk brengen en benoemde in zijn plaats een zekere Ametos tot paus. Maar omdat hij tegen de zin van de geestelijkheid het ambt verliet, werd zijn naam geschrapt van de lijst der pausen. En waar tot op dat moment de menigte maagden zich had mogen verheugen in de goedkeuring van de Heilige Stoel, vielen zij nu volkomen uit de gratie.

Wetenschappelijk gesproken is van deze gebeurtenissen niets terug te vinden in andere bronnen. Inderdaad is er nergens sprake van een paus Cyriacus. (Overigens wel van een paus Siricius: 384-399). Als Cyriacus al de negentiende paus na Petrus was, dan moet hij halverwege de 3e eeuw geleefd hebben. Niet de meest passende tijd om de gebeurtenissen rond Ursula te plaatsen. Immers in die tijd was het christendom nog omstreden. Sterker, uit het vervolg zal blijken dat de elfduizend maagden het slachtoffer worden van de Hunnen. Die treden pas twee eeuwen later op, halverwege de vierde eeuw. Straks zal Jacobus zelf daar ook op attenderen! Ook een paus Ametus heeft nooit bestaan. (Overigens heette Siricius’ opvolger Anastasius: 399-401. Zou Jacobus die klanken in het achterhoofd gehad hebben, toen hij de legende te boek stelde?) Bovendien werden pausen niet aangewezen, zoals het verhaal wil, maar gekozen.

- 2 -
In die tijd had je twee kwaadaardige aanvoerders van het Romeinse leger, Maximus en Africanus. Zij zagen hoe niet alleen het aantal meisjes, maar ook het aantal mannen en vrouwen dat zich bij de groep aansloot, al maar groeide. En ze werden bang dat het christengeloof veel te groot zou worden. Daarom begonnen ze ijverig plannen te maken en zonden ze afgezanten naar de Hunnenkoning Julius, die nog familie van hen was. Zij lieten hem zeggen dat hij er met zijn leger op uit moest trekken en de hele horde christenmeisjes in Keulen moest opwachten om hen uit te moorden.

Intussen voer de heilige Cyriacus in gezelschap van de maagden weg uit Rome. Hij kreeg nog gezelschap van de aartspriester Vincentius en van Jacobus, die zelf ook uit Brittannië kwam en zeven jaar aartsbisschop van Antiochië was geweest. Hij was bij de paus op bezoek geweest en alweer aan de terugweg naar huis begonnen, toen hij hoorde van de maagden. Daarop was hij weer naar Rome teruggegaan en werd zo deelgenoot aan hun tocht en lijdensweg. Zo ook Maurisius, de bisschop van Lavicana en broer van Babilla’s en Juliana’s moeder. Daarnaast Follarius, de bisschop van Lucca, Simplicius, de bisschop van Ravenna, die juist in die tijd te Rome verbleef. Allemaal gingen ze met de maagden mee.

- 3 -
Intussen was Aetherius, de bruidegom van Sint Ursula, al die tijd in Brittannië gebleven. Hem verscheen een engel met de mededeling dat hij er bij zijn moeder erop moest aandringen om christen te worden. Want zijn vader, die ook Aetherius heette, was al een jaar nadat hij christen was geworden, gestorven. Hij was toen zijn vader als vorst opgevolgd. Terwijl de heilige maagden met de genoemde bisschoppen uit Rome vertrokken, werd Aetherius door de Heer aangespoord om zijn bruid in Keulen tegemoet te gaan om daar met haar de marteldood te ondergaan. Hij gaf gehoor aan het gebod van de Heer en liet zijn moeder dopen. Tezamen met haar. Met zijn jongere zus Florentia die al christen was en met bisschop Clemens trok hij de maagden tegemoet en voegde zich bij hen om tezamen de marteldood te ondergaan. Bij hen sloot zich ook nog aan Marculus, een bisschop uit Griekenland tezaqmen met zijn nicht Constantia, een dochter van koning Dorotheus van Constantinopel. Zij was verloofd geweest met een prins, maar deze was no0g voor de huwelijksvoltrekking gestorven; zij had daarop voor God de gelofte van maagdelijkheid afgelegd. Ook zij waren naar Rome gekomen en hadden zich aangesloten bij het gezelschap maagden om straks de marteldood te sterven. Zo trokken de maagdenmet alle genoemde bisschoppen richting Keulen. Daar aangekomen bleek Keulen reeds door de Hunnen belegerd te worden. Toen de Hunnen de maagden in het oog kregen, zetten zij het op een brullen, vielen hen aan als wolven bij schapen en brachten ze allemaal ter dood. Toen ze alle anderen gewurgd hadden, stuitten zij tenslotte op Sint Ursula. De Hunnenkoning werd getroffen door haar stralende schoonheid. Nu begon hij haar te troosten bij de dood van de maagden, en beloofde plechtig dat hij haar tot vrouw zou nemen. Maar dat was Sint Ursula af. Toen hij besefte door haar afgewezen en vernederd te zijn, richtte hij een pijl op haar en schoot haar dood. Zo kreeg zij deel aan het martelaarschap.

- 4 -
Een van de maagden, Cordula, had zich die nacht in haar doodsangst verborgen weten te houden in het schip. Maar de volgende morgen meldde zij zich vrijwillig aan en ontving alsnog de kroon van het martelaarschap.
Maar omdat zij niet tegelijk met de andere maagden gestorven was, werd haar feest ook niet gevierd. Lange tijd daarna verscheen zij aan de kluizenares, en gaf haar te kennen dat zij haar feest moesten vieren daags na het feest van de Elfduizend Maagden.

Het betreft Helmtrudis van Neuenheerse († 10e eeuw; feest 31 mei).

De maagden ondergingen het martelaarschap rond het jaar 238. Maar velen menen dat het niet in die tijd gebeurd kan zijn. Want in die tijd waren Sicilië en Constantinopel nog geen koninkrijk, terwijl er hier toch sprake van is dat er koninginnen en prinsessen waren. Daarom lijkt het waarschijnlijker deze martelgeschiedenis te plaatsen lang na keizer Constantijn, in de tijd dat de Hunnen en de Gothen te keer gingen. Dus ten tijde van keizer Marcianus, die regeerde in het jaar 452, zoals we in een kroniek lezen.
[LAu.1979]

- Groei van de legende -
Het is niet duidelijk, wanneer de Sint-Ursulalegende in deze is ontstaan. Alles begint met de beroemde gedenksteen van Clematius. Deze is sinds 1866 te vinden in de zuidwand van het gotische koor van de St-Ursulakerk. Blijkens wetenschappelijke onderzoekingen was ze daar ingemetseld, omdat ze zich daar ook bevond in de romaanse voorganger van het gotische koor.
Wat zegt de Clematiusinscriptie?

‘Door goddelijk vuur herhaaldelijk aangespoord, en door de deugd van de grote majesteit die besloten ligt in het martelaarschap van de hemelse maagden heb ik, Clematius, hooggeplaatst man en afkomstig uit het oosten, op basis van een gelofte uit eigen middelen en op eigen grond deze basilica van de grond af weer opgebouwd, zoals ik volgens gelofte verplicht was. Als iemand op de hoogst majesteitelijke plek van deze basilica waar heilige maagden omwille van Christus hun bloed vergoten hebben, het lichaam van een ander dan deze maagden onderbrengt, mag hij weten met de eeuwige hel gestraft te worden.’

Onderzoekingen hebben uitgewezen dat de steen waarschijnlijk afkomstig is uit de Romeinse tijd. En dat er dus in de 4e of 5e eeuw op de Romeinse begraafplaats een kapelletje gestaan moet hebben dat toegewijd was aan de gedachtenis van ‘maagden die hun bloed voor Christus vergoten hadden’. Weliswaar houden geleerden er rekening mee dat de Clematiussteen een vervalsing zou kunnen zijn uit het begin van de 9e eeuw, maar dan wel een hele knappe!
Waarom uit het begin van de 9e eeuw? Omdat er dan voor eerst sprake is van Clematius’ steen. Het is de tijd van bisschop Hildebold († 818; feest 3 september), waarin Keulen zijn eerste bloeitijd tegemoet gaat. Overal werd er gebouwd, vooral aan kerken en kloosters. In 866 worden de bezittingen van aartsbisschop Günthar te boek gesteld. Daaronder bevindt zich ‘het klooster van de zalige maagden’; op dat moment wonen er kanunniken; later zal het een adellijk damesstift worden.
Ook al is de steen dan bekend, van een martelaarsgeschiedenis of enige verering van Ursula en de maagden is nog geen sprake. Ze komen nog niet voor in het Martelarenboek dat aan Sint Hieronymus wordt toegeschreven, maar waarschijnlijk stamt van het einde van de 6e eeuw. Eerst Wandelbert van Prüm ((848) vermeldt haar in zijn heiligenkalender; evenals Usuard (875).
Aanvankelijk was het ook niet Ursula, maar Pinnosa die de hoofdrol vervulde, tezamen met Martha en Saula. Maar sinds de relieken van deze heiligen in de 10e eeuw naar Essen verhuisden, nam Ursula de eerste plaats in.

- Legende terugvinding van Ursula’s relieken -
Er is een legende uit het leven van bisschop Kunibert van Keulen († 663; feest 12 november) over de terugvinding van Ursula’s relieken.

Al lang liep bisschop Kunibert met het verlangen rond het graf van de heilige Ursula te ontdekken. Zij was immers met haar gezellinnen in Keulen begraven. In het jaar 640 droeg hij in de Ursulakerk de mis op met de intentie het graf van deze grote heilige terug te mogen vinden. Daarop verscheen er een hagelwitte duif die volkomen geruisloos naar beneden kwam zweven en behoedzaam op zijn hoofd ging zitten; vervolgens vloog zij op, beschreef drie maal een cirkel boven het hoofdaltaar en streek weer neer in een zijkapelletje. Daarop was zij ineens verdwenen. Kunibert gaf opdracht dat men op die plaats zou gaan graven en daar werd inderdaad het graf van de heilige martelares aangetroffen. Hij liet onmiddellijk haar schedel ter verering in een zilveren reliekschrijn vatten.

Als de legende inderdaad stamt uit de tijd van Sint Kunibert zelf, dan toont ze aan dat er sprake is geweest van een zekere verering van Sint Ursula tussen de 5e en de 9e eeuw. Maar het kan natuurlijk zijn dat de legende van later datum is, en is teruggeprojecteerd in het leven van Sint Kunibert.
Hoe dan ook, in de loop van de 10e eeuw neemt de legendevorming rond Sint Ursula een grote vlucht. De eerste passio 'Fuit tempore pervetusto' dateert van ca 972, de tweede 'Regnante Domino' van ca 1000. In het ontstaan van de tweede had Sint Dunstan van Canterbury († 988; feest 19 mei) mogelijk een aandeel.
In 1106 legde men bij de Keulse St-Ursulakerk een Romeinse begraafplaats (Ager Ursulanus) bloot. Onmiddellijk werden de gevonden beenderen in verband gebracht met Sint Ursula en haar gezellinnen. De relieken werden in een schrijn geplaatst (1159) en ter verering uitgesteld in de St-Ursulakerk. Tot op de dag van vandaag kan met naast de kerk het knekelhuis bewonderen waar de beenderen op kunstzinnige wijze zijn opgeslagen. Van daaruit werden ze overal in Europa verspreid.
In 1893 werd bij herstelwerkzaamheden van de St-Ursulakerk een grafsteen herontdekt uit de 4e of 5e eeuw, waarop te lezen stond dat de onschuldige maagd Ursula acht jaar, twee maanden en vier dagen oud was, toen zij overleed. De steen was in de 12e eeuw ingemetseld in de derde pijler van de zijbeuk van de kerk die aan Sint Ursula was toegewijd. Tegenwoordig is de steen te bewonderen op de bovenverdieping van het Romeins-Germaans Museum te Keulen.
De steen was afkomstig van het grote grafveld dat noordelijk buiten de stadsmuur van Colonia Agrippina lag, richting Neuss. Daar werd ook de steen gevonden van de vijfentwintigjarige Aeterius. Later zou de legende hem tot bruidegom van de kleine Ursula maken. Blijkens het grafinschrift was hij christen.

[Werner SCHÄFKE ‘Kölns Romanische Kirchen. Architektur, Ausstattung, Geschichte. Mit Fotos von Wolfgang F.Meier’ Köln, DuMont Buchverlag, 1985 (4e) Reihe DuMont Kunstreiseführer. ISBN 3-7701-1360-8p:264].

Wellicht heeft de vondst van deze grafstenen bijgedragen tot de groei van de Ursulalegende. De benedictines Elisabeth van Schönau († 1164; feest 18 juni) was priorin van het dubbelklooster te Schönau bij Bonn. Net als haar vriendin, de grote abdis Hildegard van Bingen, werd ze in haar gebed begiftigd met visioenen en andere bijzondere genadegaven. Deze overkwamen haar met name op zon- en feestdagen tijdens het officie. Op uitdrukkelijk verzoek van abt Hildelin gaf zij de inhoud ervan prijs aan haar broer Egbert die in het naburige mannenklooster verbleef. Zo ontstonden haar geschriften, waarvan vooral Revelationes (Openbaringen) grote invloed zou krijgen. Daarin beschrijft ze o.a., hoe ze in haar gebed op mystieke wijze aanwezig was bij de pelgrimstocht en marteldood van Sint-Ursula en haar elfduizend maagden. Ze weet zelfs van velen, die haar vergezelden, de naam te noemen. Het kan goed zijn dat de namen die Zij noemt, ontleend zijn aan de opschriften van de oude grafstenen. Zo'n honderd jaar later zou Hermann-Joseph van Steinfeld, premonstratenzer monnik in klooster Steinfeld(† tussen 1233 & 1252; feest 21 mei) hetzelfde overkomen; hij vulde Elisabeth's visioenen van Ursula aan met nog meer gegevens en namen. Daarmee werden deze twee bidders van grote invloed op de devotie en afbeeldingen van Sint-Ursula in de late middeleeuwen.
In beider gebedsvisioenen wordt opgesomd wie zich allemaal bij Ursula's onderneming komen aansluiten, aangevuld met namen uit andere bronnen.
Deze lijst van zowel vrouwen als mannen wordt vermeld bij Ursula van Keulen op 21 oktober)

- Opmerking -

Soms wordt de veronderstelling geuit dat het oorspronkelijk niet om elfduizend, maar om elf maagden ging. Het getal elfduizend zou ontstaan zijn, omdat er zou hebben gestaan XIM: dat zou dan gelezen moeten worden als afkorting van elf martyres, maar de hoofdletter ‘M’ zou abusievelijk opgevat zijn als het getal duizend. Voor deze veronderstelling heb ik nergens wetenschappelijk gevonden. Zelf denk ik dat het getal elfduizend te danken is aan Psalm 91,07:

‘Al vallen er duizend aan je ene zij, en tienduizend aan je rechter,
Toch zal het jou niet raken…’

[000»Agnes-Meissenp:21; 100; 109p:649.686(vig).745; 123p:93; 124p:138-139; 126p:13.48; 183»10.21; 191p:296; 193p:230.231; 200/2»10.21; 226p:183.272; 233p:662; 234p:32.91.93.111; 235;245; 280p:509; 291; 317p:32v; 500; Dries van den Akker s.j./2008.02.29]

© A. van den Akker s.j.