× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1553  Adam Sasbout

Info afb.

Adam Sasbout (ook Sasbold) ofm, Leuven, België; theoloog; eerbiedwaardig; † 1553.
Feest21 maart (& 4 oktober)

Hij was afkomstig uit Delft en moet rond 1516 geboren zijn. Op een onbekend moment is hij ingetreden bij de franciscanen en werd theologieprofessor aan de universiteit van Leuven. Hij stond vooral bekend als een briljant exegeet en predikant. Tot zijn studenten behoorden o.a. Daniël Arendonk, een van de latere Martelaren van Alkmaar († 1572; feest 24 juni) en Claes Pieck, een van de Negentien Martelaren van Gorkum († 1572; feest 9 juli). Hij stierf - 37 jaar oud - op 21 maart 1553 in geur van heiligheid.

Hij staat te boek als 'eerbiedwaardig'; soms wordt hij zelfs 'zalig' genoemd.


Bronnen
 [340; Dries van den Akker s.j./2000.08.09]

Hieronder een artikel gepubliceerd in: Willy De Baerdemaeker (red.) 'Feestbundel Jaak Ockeley' uitg. Koninklijke Heemkring ASCANIA, Asse, 26 mei 2018. Depotnr. D/2018/0382/1 pp.302-311

In 1933 verscheen een artikel over Adam Sasbout in de Bijdragen voor de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem (BGBH 50(1933) pp.401-414), geschreven door de franciscaanse historicus Dalmatius van Heel. Het bevatte een publicatie van een Nederlandstalig levensbericht daterend van het eind van de 16e eeuw. Dit stuk gaat weer terug op een Latijns origineel, van de hand van een andere Delvenaar, Michiel Vosmeer, lid van een bekende Delftse katholieke familie, en oomzegger van Adam. Michiels broer, Sasbout Vosmeer († 1614), was de eerste zogeheten Apostolisch Vicaris voor de Noordelijke Nederlanden, toen daar de Calvinisten het bewind hadden overgenomen, de kerkelijke organisatie was ontmanteld en de katholieken gedoemd waren ondergronds te gaan. Voor zover mij bekend is dat stuk nog nooit omgezet in hedendaags Nederlands. Dat is wat ik hierna hoop te doen. Daarbij geheel leunend op het artikel van Van Heel. Waar nodig zal ik zijn voetnoten en eigen aantekeningen toevoegen. De tussentitels zijn van mijn hand.

 

Korte Levensbeschrijving van pater Adam Sasbout uit Delft, in leven franciscaan.
Adam Sasbout was afkomstig uit de Hollandse stad Delft. Hij sproot voort uit algemeen bekende eerzame ouders. Zijn vader, Jan Sasbout, was jarenlang burgemeester van Delft, juist vanwege zijn uitzonderlijke wijsheid en deugdzaamheid.

Vader Jan Sasbout was van 1532 tot 1562 burgemeester van Delft. Gehuwd met Elisabeth van den Burgh. Zij kregen zeven kinderen van wie Adam de oudste was, geboren op 21 december 1516.
Moeder zou reeds gestorven zijn in 1529. Van 1566 tot 1570 was een Jan Janszoon Sasbout burgemeester van Delft, broer van Adam.

Zoals alle kinderen ging hij naar school om te leren lezen en schrijven.

Dat moet de Latijnse School geweest zijn, gelegen op de noordelijke hoek van de Schoolstraat en de huidige Wateringse Vest. De school stond onder leiding van de Broeders van het Gemene Leven, gevestigd aan de Oude Delft in klooster ‘Hiëronymusdael’.

Nadat hij in grammatica zijn diploma’s gehaald had, werd hij nog op jonge leeftijd door zijn ouders naar Utrecht gestuurd om daar Latijnse en Griekse grammatica te leren. Bovendien studeerde hij Dialectiek en Rhetorica. Zodat hij niet alleen veel kennis opdeed van welsprekende schrijvers, maar ook verbazend veel vooruitgang boekte op het gebied van wellevendheid en deugd. In hem werd het woord uit het boek Wijsheid vervuld: ‘Ik was een verstandig kind, en God heeft mij deelgenoot gemaakt van een goede ziel, een onbesmet lichaam en opperste zuiverheid van hart en lichaam.’

Citaat uit het Boek Wijsheid. In het oorspronkelijke manuscript staat in de marge geschreven ‘Sap.8’. De Willibrordvertaling uit 1978 luidt:
'Ik was een mooie, welgevormde jongeman,
en ook de ziel die ik gekregen had, was goed.
Of liever, ik was goed
en ik was in een gaaf lichaam gekomen.’
[Wijsheid 08,19-20]. Gebed dat aan de jonge Salomo wordt toegeschreven.

Adam moet ongeveer twaalf jaar geweest zijn, toen hij naar Utrecht werd gestuurd.

Veelbelovende leerling
Zijn leermeester, Georgius Macropedius, hield zijn medestudenten herhaaldelijk voor dat zij een voorbeeld konden nemen aan zijn studieijver en deugdzaamheid. Dat blijkt uit een brief van Macropedius. Die schreef hij naar aanleiding van het feit dat Adam, amper zestien jaar, het eerste boek van Homerus uit het Grieks in het Latijn had vertaald. Zo maakte hij op de school in Utrecht verbazingwekkende vorderingen in Grieks en Latijn. Tenslotte legde hij met lof een proeve van zijn bekwaamheid af in de eindoratie.

Van Heel vermeldt in een voetnoot nadere gegevens over Macropedius. Eigenlijk heette hij Langeveldt of Lanckveldt. Hij zou rond 1475 te Gemert geboren zijn. Studeerde in ’s Hertogenbosch en Leuven en trad vervolgens in bij de Broeders van het Gemene Leven. Hij was achtereenvolgens rector van de Hiëronymaanse scholen in ’s Hertogenbosch, Luik en Utrecht. In 1554 keerde hij terug naar ’s Hertogenbosch, waar hij na een pijnlijk ziekbed overleed. Hij zou er zijn begraven voor het koor van de kerk van het zogeheten Fraterhuis.

Hij legde zich vol vuur en ijver toe op de Vrije Kunsten. Hij promoveerde daarin met lof.

Volgens van Heel begon Adam zijn studies te Leuven in oktober van het jaar 1534. Hij volgde de lessen in ‘Het Kasteel’. Regent was daar Cornelius Sculteti, afkomstig uit Weert. Aan het einde van de cursus mocht hij zich ‘baccalaureus formatus’ noemen. Op 22 maart 1537 behaalde hij de graad van ‘licentiaat’. Vervolgens begon hij aan de studie theologie.

Eenmaal gepromoveerd begon hij aan de studie Theologie. Maar niet met dezelfde ijver en liefde als tevoren. Want - juist zoals het aan Sint Hiëronymus overkwam - de grove en simpele Latijnse preken van de Heilige Schrift leidden zijn aandacht af van de theologie en de Heilige Schrift. Daarom heeft hij eerst een tijdje Hebreeuws gestudeerd, maar uiteindelijk besteedde hij de meeste tijd en aandacht aan de geschriften van de filosofen en retoren.

Van Heel merkt op dat Adam aanvankelijk enige tijd lessen volgde op het Busleyden College (Collegium Buslidianum), oftewel ‘Der Dry Tonghen’. Zoals verderop blijkt, liet hij zich uiteindelijk opnemen in het Pauselijk College.

Ander mens
In de tijd daarna is hij door een bijzondere inwerking van de Heilige Geest in een ander mens veranderd. Hij liet alle teksten en boeken achter zich. Met een brandend hart zei hij dat hij al zijn geschriften en al de resultaten van veel nachtelijke arbeid die met zo veel moeite tot stand gekomen waren, verbrand had. Vanaf dat moment heeft hij zich alleen nog maar met grote ijver en geestelijke zorg toegelegd op de godgeleerdheid. Met als gevolg dat hij - door al dat ongebreidelde studeren, waarbij hij nachten lang doorwerkte en zich ongeordend onthield van spijzen - tenslotte levensgevaarlijk ziek werd. Zijn ouders riepen hem dus naar huis terug. Door de vertrouwde lucht van zijn geboortestreek kwam hij weer op krachten. Door ervaring en eigen fouten wijs geworden onderkende hij hoe fout en gevaarlijk het is wanneer men te veel aan de eigen wil vasthoudt.

Terug naar Leuven
Zo werd hij naar Leuven teruggestuurd. Met veel devotie deed hij zijn eerste mis in het College van Paus Adrianus. Dag op dag besteedde hij steeds meer aandacht aan zijn innerlijk leven om aldus Gods genade te kunnen ontvangen. Zo kwam het dat zijn hart onder ingeving van de Heilige Geest steeds meer getrokken werd naar de Orde en het religieuze leven van Sint Franciscus; en om de wereld te verlaten. Maar eerst liet hij zich adviseren door een waardevolle en geleerde vriend. Deze bevestigde dat het de Geest Gods was die hem dit verlangen ingaf. Omdat zijn verlangen een belangrijke zaak betrof, wilde hij ook graag andere wijze en geleerde mannen daarvan op de hoogte brengen. Maar toen hij dat deed, maakte dat in hem wonderlijke gedachten los, allerlei begeerten en innerlijke strijd. Dat had tot gevolg dat hij dat mooie verlangen naar het religieuze leven nog twee jaar voor zich uit schoof, zoals hij zelf toegeeft in de Preek over Driekoningen. Maar toen de vriend van hierboven tegen hem zei dat hij dan beter dat verlangen kon opgeven, antwoordde hij: ‘Quod differtur non aufertur.’ Oftewel: ‘Uitstel is nog afstel.’ De President van het Pauselijk College, aan wie hij eveneens het geheime verlangen van zijn hart had voorgelegd, vroeg hem waarom hij zo naar het religieuze leven verlangde. Hij antwoordde heel verstandig: ‘Omdat ik dan altijd de wil van een ander zal kunnen volbrengen, en niet mijn eigen wil. Krachtens de verdienste van de heilige gehoorzaamheid.’

Franciscaan
Zo gingen er nog twee jaar voorbij. In die tijd bleef hij standvastig in zijn verlangen met behulp van Gods genade. Na veel intense gebeden besloot hij gevolg te geven aan zijn verlangen en vroeg in alle bescheidenheid te mogen worden opgenomen in de Orde en het religieuze leven van Sint Franciscus. Het werd hem toegestaan. Zo is hij op de tevoren vastgestelde dag ingetreden in het Convent van de Minderbroeders te Leuven, zonder dat zijn ouders, vrienden, collega’s of medestudenten ervan op de hoogte waren.

Van Heel weet te melden dat hij intrad op 17 april 1544. Een jaar later, op 19 april 1545, de tweede zondag na Pasen, legde hij zijn drie kloostergeloften af van armoede zuiverheid en gehoorzaamheid.

Reeds twee dagen na zijn intrede ontving hij op eigen verlangen, zodat niemand hem iets in de weg zou kunnen leggen, met grote devotie het habijt van de Orde van Sint Franciscus. De geestelijkheid en het aanwezige volk waren er zeer door gesticht. Eenmaal opgenomen in de Orde van de minderbroeders leidde hij van het begin af aan een leven vol toewijding en grote nederigheid, algehele armoede, en bereidwillige gehoorzaamheid aan zijn novicemeester, gedragen door een vurig gebedsleven. Zo volbracht hij het jaar van zijn noviciaat of proeftijd met grote toewijding. Na dat jaar heeft hij de goederen die hem uit de erfenis van zijn moeder waren toegekomen, hartelijk onder de armen verdeeld, geheel volgens de raad van het Evangelie en volgens de vermaningen van de Franciscaanse Regel.

Moeder was immers al overleden in 1529. De gelofte van armoede stond niet toe dat hij eigen bezit zou hebben. Hij diende daar tevoren naar eigen goeddunken afstand van te doen en een goede bestemming voor te zoeken.

Nadat hij de geloften had afgelegd in de handen van zijn minister, heeft hij er altijd aan gewerkt om ze volmaakt te onderhouden. Hij was tevreden met de armelijke spijzen en  kleren die hij ontving. Meer verlangde hij niet. Hoewel hem dat soms wel degelijk werd aangeboden.  Ook de armoede wat betreft het boekenbezit heeft hij nauwgezet onderhouden. Want behalve zijn Bijbel en zijn persoonlijke geschriften had hij geen andere boeken, hoewel hij aangesteld was tot docent in de Heilige Schrift. Elke dag leefde hij volmaakt overeenkomstig de heilige gehoorzaamheid, altijd bereid de werkjes te doen die hem werden opgedragen, hoe nederig soms ook. Nooit wenste hij iets te doen tegen de zin van zijn overste. Nooit meer ook verlangde hij ernaar uit te gaan, behalve wanneer de overste hem dat opdroeg. En áls hij er op uit werd gestuurd, had hij geen voorkeur voor wat betreft zijn gezelschap. Hij was eenvoudig tevreden met degene die hem we werd meegegeven.

Dagelijkse omgang
In de dagelijkse omgang als religieus was hij zowel in- als uitwendig geheel en al toegewijd aan God en aan zijn vooruitgang in deugdzaamheid. Hij getuigde van goede manieren en een volwassen levenswijze. Had altijd de ogen neergeslagen, en de toegedekte handen gevouwen. Zijn hart was naar God toegewend, vol inkeer en inwendig gebed. Dag en nacht overwoog hij de Wet van de Heer. Hij sprak weinig. Als hem iets gevraagd werd, gaf hij met een enkel woord antwoord. Werd hem soms iets gevraagd over de Heilige Schrift of over gewetenskwesties, dan liet hij merken dat in hem een verbazingwekkende schat aan wijsheid en kennis schuil ging. Altijd maakte hij een gelijkmoedige indruk. Nooit zag iemand hem verdrietig of overdreven blij en uitgelaten.

Gebedsleven

Beschut door liefde - dat wil zeggen door korte vurige schietgebedjes - was hij altijd God toegewend. De toeleg op de geestelijke oefeningen en die toewending tot God raadde hij ook zijn medebroeders aan als uitstekende oefeningen om tot een volmaakt deugdzaam leven te komen. De wereld heeft geen weet van die heiligmakende oefeningen, maar God des te meer. Altijd als hij ’s avonds ging slapen, of ’s morgen opstond, of naar het altaar ging om de mis te doen, deed hij dat met vurige tranen en gebeden tot God. Nooit deed hij zijn gebeden zonder tranen. De goddelijke eredienst en zijn getijden las hij langzaam met grote eerbied en aandacht.

En wat hij in de eredienst aan God niet begreep, heeft hij geleerd door in de Geest van de waarheid te verwijlen. Zijn omgang met God en zijn inwendig leven waren voor hem steeds een voorbereiding op het celebreren van de Mis. Toen een jonge priester hem eens vroeg, wat hij moest doen om God dagelijks een aangenaam offer te bereiden, antwoordde hij: ‘Laat heel uw leven een voortdurende voorbereiding zijn op de Heilige Mis; richt met grote bescheidenheid uw oog enerzijds op het hoogwaardige Sacrament, en anderzijds naar uw eigen onwaardigheid. Hoe bescheidener u ziet des te aangenamer zal dat zijn voor God, en des te geschikter zult u worden voor Gods genade.’

Voorbeeldig gedrag
Zo naar binnen gewend als hij was in de omgang met God, zo stichtelijk en inspirerend was hij, als zich wendde tot de mensen buiten. Want in zijn omgang met de mensen was hij altijd bescheiden, beminnelijk en stichtend door zijn goede manieren en zijn voorbeeld.

En als hij soms op verzoek van zijn ouders en vrienden naar het vaderland van de Minister werd gezonden, reisde hij altijd te voet, overeenkomstig de regel, hoewel hij lichamelijk bepaald niet sterk was. Vandaar dat hij gebrekkig was, maar hij bracht het op uit liefde voor de armoede die hij beloofd. Ondanks alle hulp die hem door zijn vrienden werd aangeboden.

Als hij inderdaad zo verknocht was aan de armoede zal hij in tijdens zijn bezoeken aan de familie in Delft wel gelogeerd hebben bij de medebroeders van het franciscaner convent. Het lag op de plek van de huidige Beestenmarkt. De Broerhuisstraat en de naburige Minderbroedersbrug herinneren er nog aan. Hij moet het als kind al gekend hebben, want het was gesticht in 1449. Naar het schijnt heeft de bekende Pater Brugman daar nog een rol bij gespeeld. Delft was in die tijd een marktplaatsje voor zuivelproducten. Kennelijk van uitstekende kwaliteit. Pater Brugman vergelijkt in een preek de heerlijkheden van het hiernamaals met een tonnetje Delftse boter.

Het Delftse minderbroedersconvent was een van de eerste slachtoffers van de Alteratie, en werd in 1573 ontmanteld.

Onderweg zijnde, of verblijvend op een of andere plek hield hij zich altijd ergens mee bezig. Soms waren dat de Confessiones van Sint Augustinus, soms andere boeken of lectuur waaruit hij dan voorlas voor zijn reisgenoten.

Bij vrienden of andere goede mensen bleek hij een man van weinig woorden; hij antwoordde nooit meer dan wat er gevraagd werd. De deugd van soberheid die hij in grote mate bezat, vormde bij hem een waar geestelijk sieraad.

Tijdens maaltijden en bijeenkomsten met vrienden liet hij zich nooit overhalen met de anderen gelijk op te drinken. Hij bestrafte wel degenen die zich hieraan te buiten gingen. Toen hij in Orde intrad, at en dronk hij al bijzonder weinig. Hij at en dronk nooit buiten de maaltijden, en dan nog sober en spaarzaam.

Ook alles wat het gemeenschapsleven betreft, onderhield hij met toeleg. Bij tegenspoed, pijn en ziekte was hij een toonbeeld van verbazingwekkend geduld. Zijn geduld bij ziekte en gebrek werd eens te meer op de proef gesteld in het eerste jaar na zijn professie. Een inwendige ader die naar het hart voert, sprong. Zo komt het dat hij zeer dikwijls veel bloed spuwde. Toch nam hij zo veel hij als hij kon deel aan het gemeenschapsleven. Dag en nacht. Als hem iets werd opgedragen wenste hij dat ook te doen omwille van de heilige gehoorzaamheid aan zijn overste, of het nu ging om preken, biecht horen of welk werk ook. Zeven jaar lang gaf hij als  lector lessen in de Heilige Schrift. Ondanks al de genoemde gebreken en aanzienlijke ziektes. Door dat ambt met vrucht uit te oefenen gaf hij zijn broeders en profane studenten de mogelijkheid winst te boeken en vooruit te gaan.

Van Heel maakt melding van een wonderlijk feit. Aan pater Adam zou ooit gevraagd zijn welke leerlingen hij het hoogste achtte. Hij zou geantwoord hebben: ‘Over velen kan ik mij verblijden, maar twee zijn er volmaakt in heiligheid en wetenschap: namelijk Nicolaas Pieck en Daniël van Arendonck. Beiden zijn bestemd om wonderbare luister bij te zetten niet alleen aan de arme Orde van Sint Franciscus, maar aan de gehele Kerk van Jezus Christus.

Als deze anekdote op waarheid berust, bezat pater Adam vooruitziende gaven. Hijzelf stierf in 1553. Daniël Arendonk stierf met nog vier medefranciscanen door toedoen van losgeslagen Geuzen de marteldood op 25 juni 1572, te Enkhuizen. Nicolaas Pieck stierf als een der Negentien Martelaren van Gorkum, 9 juli 1572; zij werden in 1867 door paus Pius IX heilig verklaard . Daniël is nooit heilig of zalig verklaard.

[Zie Estius: Hist. Mart. Gorc., pag.183; D.van Bleiswyck II ,bl.759; P.Opmeri,Hist.Bat.Mart.,p.92; Kok ‘Acht eeuwen’ p:133]

Docent
Hij had daar een bijzondere genade voor ontvangen. Niet alleen door Gods uitzonderlijke gaven, maar ook door zijn enorme werklust en onvermoeibare toeleg op de studie. Met  groot inzicht en helderheid van geest wist hij de Heilige Schrift uit te leggen. Tot lering, verlichting en voortgang in kennis en deugd van zijn leerlingen. Want niet alleen verlichtte hij steeds het verstand van zijn studenten met zijn lessen aangaande de Schrift, ook hield hij met bewonderenswaardige vurigheid van geest op hoogtijdagen predicaties en voordrachten in het Latijn voor alle studenten. Ook zij werden daardoor geïnspireerd tot de liefde Gods, tot verbetering van leven en tot verzaking van de wereld.

Sinds 1547 was hij docent exegese voor studenten van de eigen franciscaner opleiding. Zijn roem reikte ook tot in Delft. In 1667 publiceert oud-burgemeester Dirck van Bleyswijck een ‘Beschrijving van de stad Delft’. Hij citeert een Gereformeerd predikant die opmerkt dat Adam Sasbout door alle christenen dankbaar in ere moet worden gehouden, zelfs door degenen die mordicus tegen de Roomse Kerk zijn. Zelfs onder die lieden waren er die Adam de titel ‘Gulden Uitlegger’ gunden. Aldus Van Heel. Deze opmerking krijgt nog meer reliëf als we bedenken dat Van Bleyswijck zelf - zo voeg ik eraan toe - een overtuigd Calvinist was die alleen maar met cynisme kon schrijven over het overdadige devotionele leven van de Roomse gelovigen van vóór de Reformatie.

Het einde
Tenslotte wilde God zijn arbeid een zalig einde geven na zeven (in de marge verbeterd tot ‘negen’) jaren professie waarin hij trouw gewerkt had in de wijngaard van de Heer. Zijn ziekten werden erger. En zo kwam hij door Gods genade aan het einde van zijn leven. Er verschenen drie dokters die hem een langer leven beloofden, als hij zich door hen liet helpen. Maar hij verlangde godvruchtig naar de Laatste Sacramenten, en ontving ze met grote devotie. Zo maakte hij zich bereid tot een zalig levenseinde. Hij wilde niet dat veel mensen hem tijdens zijn ziekte kwamen bezoeken. Hij wou zich aan God geven; alleen. Een broeder die hem hartelijk liefhad, vroeg of hij hem gezelschap mocht houden om de verdrietige tijd een beetje te verdrijven. Want daar hebben zieken het vaak heel benauwd door. Maar hij antwoordde: ‘Ad Dominum cum tribularer clamavi et exaudivit me.’ Dat betekent: ‘Toen ik in moeilijkheden verkeerde, heb ik tot de Heer geroepen. En Hij heeft mij verhoord.’

Citaat uit de Latijnse (Vulgaat) vertaling van Psalm 120,01.

Daarmee gaf hij te kennen dat hij zijn laatste ogenblikken liever met heilige gebeden en goddelijke samenspraken wenste door te brengen dan met ijdel gepraat. Toen tenslotte de dokters alle hoop op verder leven opgaven en al zijn krachten waren uitgeput, wilde hij alleen nog maar een slok wijn. Want die was hem door de dokters tijdens zijn ziekte verboden. Toen hij van de wijn geproefd had, wilde hij verder niets meer drinken.

Uit het voorafgaande mag duidelijk zijn dat de schrijver bezig is aan een heiligenleven. Dat wordt hier nog eens extra onderstreept door een trekje toe te voegen dat onmiddellijk aan Jezus zelf herinnert. Immers, ook van Hem wordt geschreven dat Hij  proefde van de (zure) wijn, en wilde niet meer drinken (Matteus 27,34).

Toen de dokter vroeg of de wijn hem smaakte, antwoordde hij: ‘Heel mijn leven heb ik geen verstand van wijn gehad.’

In de laatste nacht heeft hij zich met korte, vurige gebeden zo goed mogelijk voorbereid op een zalig uiteinde. Daarbij sprak hij vele malen deze woorden: ‘Domine, sanctifica me, vivifica me. In te Domine speravi: non confundar in aeternum.’ Dat betekent: ‘O Heer, maak mij heilig; o Heer, geef mij leven. O Heer, op u heb ik mijn hoop gesteld, en in der eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.’

‘Sanctifica me’ is een citaat uit het gebed; ‘Anima Christi, sanctifica me’ (‘Ziel van Christus, heilig mij’). ‘Vivifica me’ (‘geef mij leven’) is een gebed dat herhaaldelijk klinkt in de Latijnse (Vulgaat) vertaling van Psalm 119 (vss.17.25.37.40.88.107.149.154.156.159). ‘In te Domine speravi, non confundar in aeternum’ is een gebed dat klinkt in de Latijnse (Vulgaat) vertaling van Psalm 31,01 en Psalm 71,01.

Bij zijn dood was een eerbiedwaardig godgeleerde aanwezig . Toen hij zag dat de zieke de geest begon te geven, riep hij tot hem: ‘Adam, daar komt de bruidegom!’ Hij antwoordde: ‘Hij roept mij. Ik volg hem.’ Zo beval hij zijn geest in Gods handen. Hij draaide zich om met zijn gezicht naar de muur en zei nog: ‘De een gaat; de ander volgt.’ Met deze woorden gaf hij de geest. Toen zijn biechtvader, Frans van Dommelen, die zijn geestelijk leidsman en gardiaan geweest was, zag dat hij de geest gegeven had, sprak hij vol vertrouwen: ‘Ik maak mij sterk dat deze deugdzame Adam nooit van zijn leven een doodzonde heeft gedaan.’

Van Heel citeert in een voetnoot enkele bijzonderheden over Van Dommelen. Hij heette eigenlijk Titelman. Kende zijn weerga niet waar het ging om wereldverzaking. Hij was een man van grote bescheidenheid. Bracht een groot deel van zijn leven door met het onderwijzen van de jeugd. Onder zijn oud-leerlingen zaten wijze en hooggeleerde heren. Twee keer was hij gardiaan van het franciscaner convent in Leuven; bovendien was hij betrokken bij het provinciebestuur van de franciscanen. Hij stierf in de maand februari van het jaar 1558, en werd begraven in het Leuvens convent.

Wij hebben Het Leven van Broeder Adam Sasbout z.g. ontleend aan degenen die zowel in de wereld als in het religieuze leven goed bekend met hem waren tot aan de dag van zijn overlijden. Hij is gestorven in het jaar van onze Heer 1553. Op de dag van Benedictus Abt (21 maart) 36 jaar oud.

Van Heel voegt nog toe dat op de achterzijde van het manuscript geschreven staat: ‘Quic quid agas, prudenter agas, et respice finem. Flos Campi.’(‘Wat je doet, doe dat zorgvuldig. En houd het uiteindelijke doel voor ogen. Bloemveld’). Bloemveld was de naam van het Franciscaner Convent in Leuven. Tot op de dag van vandaag leeft die naam voort in verschillende titels van gebouwen en colleges.
Opmerkelijk, de schrijver van dit document gaat voorbij aan het feit dat Broeder Adam Ruwaard Tappert vergezelde naar de Eerste Zitting van het Concilie van Trente in 1546.
In 1552 liet zijn zus haar pas geboren oudste zoon (de latere Apostolisch Vicaris Sasbout Vosmeer, gestorven in ballingschap te Keulen in 1614) door hem zegenen. Sasbout ontving na de herbegrafenis van zijn oom in 1598 diens schedel als reliek.
Ook noemt dit document de boeken niet die op zijn naam staan o.a.:
Een commentaar op de profeet Jesaja;
een uitleg van alle Brieven van de Apostel Paulus plus van enkele andere apostelen;
drie preken over Leviticus, gehouden te Leuven.


© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen