× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1619  Istvan Pongrácz met Melchior Grodziecki en Marcus Stefan Körösi

Info afb.

Istvan Pongrácz sj, Kosice (Kosice), Slowakije; martelaar met Melchior Grodziecki sj & Marcus Stefan Körösi (verlatijnst tot Crisinus); † 1619.

Feest 19 januari (Pongrácz en Grodziecki, tezamen met andere jezuďeten-martelaren &) 7 (& 8 Istvan Pongrácz) september.

Pater Istvan Pongrácz was afkomstig uit Alvinc in Transsilvanië, waar hij waarschijnlijk in 1583 geboren was. Hij trad in bij de jezuďeten te Brno op 11 juli 1602. Na zijn wijding werd hij naar het jezuďetencollege van Hummené gezonden. In het voorjaar van 1619 werd hij gevraagd naar Kosice te gaan dat destijds op Hongaars grondgebied lag, tegenwoordig behoort het tot Slowakije.

Pater Melchior Grodecz kwam uit Stettin, Silezië, waar hij in 1584 geboren was. Hij was oud-leerling van het jezuďetencollege in Wenen. Op 12 mei 1603 trad hij in bij de jezuďeten te Brno. Gegeven het feit dat het noviciaat twee jaar duurde, moet hij dus minstens een jaar hebben doorgebracht in hetzelfde huis als Istvan Pongácz. Na zijn studies kwam Melchior terecht in Praag; hij was er met name actief in het jongerenwerk tot ook hij werd overgeplaatst naar Kosice.

Aan de basis van die overplaatsing stond een verzoek van de koninklijke zaakgelastigde te Kosice, Andreas Dóczy. Hij was katholiek, en zag met lede ogen aan hoe het handjevol geloofsgenoten al geruime tijd zonder priester zat en zwaar te lijden had van het agressieve Calvinisme dat vanuit Hongarije steeds meer vaste voet had verworven in dat gebied. Hij had om twee jezuďeten gevraagd, en zo waren de paters Istvan en Melchior naar Kosice gekomen. Ze kregen onderdak in de officiële residentie van Dóczy. Zij werkten hard en mochten al spoedig vruchten plukken van hun arbeid.

Dat ontging de Calvinisten niet, en het zette bij hen kwaad bloed. Hun moment kwam, toen een leger vanuit Transsilvanië oprukte naar Kosice. De Calvinistische koning van Transsilvanië, Gabriel Bethlen, maakte gebruik van het feit dat Hongarije verwikkeld was in de 30-jarige Oorlog, en hoopte het verzwakte Kosice bij zijn gebied te kunnen inlijven. Hij stuurde er een leger op af onder aanvoering van George Rákóczi. Bij het horen hiervan snelden de beide jezuďetenpaters vanuit de omliggende dorpen waar ze aan het werk waren, terug naar de stad. Ze vermoedden dat de bevolking hun steun goed zou kunnen gebruiken. De wereldheer Marcus Körösi voegde zich bij hen. Hij was te werk gesteld als beheerder van de abdij van Széplak vlakbij Kosice. Hij was een oud-leerling van de jezuďeten; had bij hen gestudeerd in Wenen en Rome. Hij kende de beide paters goed.

Op 5 september 1619 viel de stad zonder veel moeite in handen van generaal Rákóczi. Zodra hij hoorde dat er priesters in de stad verbleven, liet hij ze opsporen en legde hun huisarrest op in hun eigen residentie. Hij verbood het dat iemand hun eten of drinken zou brengen. De drie geestelijken beseften wat hun te wachten stond; die nacht de nacht van 6 september - biechtten ze bij elkaar. Nog vóór zonsopgang van 7 september stonden er soldaten voor hun neus. Zij brachten het bevel van hun generaal over dat de drie hun geloof moesten afzweren en Calvinist moesten worden. Toen zij ook na herhaaldelijk aandringen weigerden, verloren de soldaten hun geduld en begonnen op gruwelijke wijze op hen in te schoppen en te slaan tot zij machteloos toegetakeld op de grond lagen. Daarna kreeg ieder een aparte behandeling.

Ze begonnen met Körösi. Ze kleedden hem uit tot op het blote lijf, dienden hem stokslagen toe, verbrijzelden zijn vingers, hielden brandende toortsen tegen zijn zij tot zijn ribben zichtbaar werden. Toen hij flauw viel, sloegen ze hem meteen het hoofd af.

Voor pater Pongrácz bedachten ze weer andere martelingen. Ze bonden een touw om zijn hoofd dat ze zo strak aanhaalden dat zijn schedel ervan kraakte. Ze sneden hem neus en oren af en hingen met gebonden handen op aan een balk waarop ze zijn lijf met messen begonnen te bewerken. Toen lieten ze hem in doodsstrijd aan zijn lot over.

Met pater Grodziecki deden ze hetzelfde als met Marcus Körösi. Zodat ze ook hem uiteindelijk het hoofd afsloegen. Vervolgens wierpen ze de drie priesters ergens in een stinkende kuil en verboden iedereen ook maar te naderen laat staan dat men ze mocht begraven. Nu bleek dat pater Grodziecki nog leefde. Zijn doodstrijd duurde een volle dag, totdat hij tenslotte in de vroege morgen van 8 september de geest gaf. Pas zes maanden later kreeg de plaatselijke gravin toestemming van Bethlen om de drie een eerbiedige begrafenis te geven.Hun stoffelijk overschot werd voorlopig in een kapel ondergebracht. In 1636 werden ze overgebracht naar het convent van de Clarissen te Trnava.

Ze werden door paus Pius X op 15 januari 1905 zalig verklaard. Paus Johannes Paulus II verklaarde hen heilig in Kosice zelf op 2 juli 1995.

*

Bij gelegenheid van hun heiligverklaring zei paus Johannes Paulus II o.a:

“De martelaren van Kosice gaven hun leven uit trouw aan de Kerk. Ze bezweken niet voor de agressieve druk die de machthebbers van de staat op hen uitoefende met de bedoeling hen tot geloofsafval te bewegen. Alle drie accepteerden het martelaarschap op zich, in de geest van hun geloof en van de liefde jegens hun vervolgers.
De Kroaat Marcus Körösi was naar Slowakije gekomen om edelmoedige zijn pastorale diensten aan te bieden aan een kerk die door het verminderd aantal priesters in grote moeilijkheden was gekomen. Naar het voorbeeld van de Goede Herder liet hij zijn kudde niet in de steek, toen er gevaar dreigde, zoals misschien een huurling gedaan zou hebben. Integendeel, hij bleef op zijn post en gaf zodoende een schitterend voorbeeld van trouw aan Christus en aan zijn eigen zending.
Minstens zo heldhaftig toonde zich de Hongaarse jezuďet Istvan Pongrácz. Hij bezegelde zijn totale toewijding aan de dienst van God en de medebroeders met het offer van zijn leven. Hij had in het gebeid van zijn herkomst , het naburige Transsilvanië, een prachtige maatschappelijke carričre kunnen opbouwen. Maar dat liet hij zich voorbijgaan, en kwam naar Oost-Slowakije om er het evangelie te verkondigen. Apostolaat in Kosice was een gemakkelijke opgave. Maar moedig verrichtte hij de hem toevertrouwde taak. Blijkbaar wilde de Heer op deze plek de beschikbaarheid en offerbereidheid van deze religieus bekronen met de glorieuze martelaarspalm.
Ook Melchior Grodziecki was jezuďet. Hij was een Pools staatsburger, maar kwam oorspronkelijk uit Silezië. Na jarenlang in Praag als priester met jongeren te hebben gewerkt, kwam hij uiteindelijk naar Kosice. Bij het uitbreken van de 30-jarige Oorlog was hij genoodzaakt tezamen met zijn medebroeders te stad Praag te verlaten. Hij doorkruiste Moravië en Slowakije en vestigde zich tenslotte in Kosice. Hier zou hij zijn overgave aan Christus en de dienst aan de broeders met martelaarsbloed bezegelen.

Op deze dag gedenken wij dankbaar en eerbiedig deze drie moedige getuigen van het evangelie. Op het moment van de beproeving wisten zij het hoofd te bieden aan verleidingen en folteringen. Zij keken zonder angst de dood in de ogen, omdat ze het geloof en de trouw aan Christus en zijn Kerk niet wensten te verloochenen. Dit sublieme getuigenis van deze drie martelaren van Kosice staat ons vandaag helder voor ogen als een schitterend voorbeeld van verbondenheid met het evangelie. Ook wij moeten daar naar opzien op momenten dat we voor een moeilijke of riskante beslissing staan: die heb je immers tegenwoordig ook nog.”


Bronnen
[000»Mart.-Japan; 000»Religieuzen-sj»Missi:53; 000»Stefanus-P.; 000»sys101a»Stephen; 102»Étienne; 103»Stephan; 108»Stephan; 111a»Stephan; 121p:310»Stephen; 126p:128»Stephan; 180p:150»Stephan;Cal»Stephan; Ferdinand Holböck ‘Die neuen Heiligen der katholischen Kirche Band 4’ Stein am Rhein, Christiana, 2000 ISBN 3-7171-1066-7 p:250vv; Dries van den Akker s.j./2007.09.02]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen