× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† ca 575  Magloire van Dol

Info afb.

Magloire (ook Maeler, Maglar, Maglorius, Meilar, Meilars, Meiler, Meler, Meylar) van Dol, Bretagne, Frankrijk; † ca 575.

Feest 24 oktober

Magloire was een neef van Sint Samson († 565; feest 28 juli) en zou in 495 geboren zijn in de landstreek Clamorgan, Wales. Net als zijn oom werd hij monnik in de door Sint Illtyd († ca 505; feest 6 november) gestichte abdij Llantwit (= kluizenarij van Illtyd). Samen met Samson stak hij het Kanaal over; zij landden op de plek waar tegenwoordig de plaats Dol te vinden is. Samson werd er de eerste bisschop.  Hij maakte zijn neef tot zijn diaken, ondanks het feit dat deze zelf zich het liefste als kluizenaar had teruggetrokken in de eenzaamheid. Bij Samsons dood volgde Magloire hem op als bisschop, op dat moment zelf al zeventig jaar oud.

Er is een oude traditie die weet te vertellen dat Sint Senieur de eerste bisschop was van Dol. Dat lijkt bijzonder onwaarschijnlijk. Diezelfde traditie kent twee heilige Samsons. De eerste zou Sint Senior opgevolgd zijn; na hem kwam Sint Théliau, opgevolgd door Sint Samson de Tweede, na wie Sint Magloire aantrad.
[Gby.1991p:504]
Uit bovenstaand relaas kunnen we opmaken dat Sint Samson de oudste ('senior') bisschop is. Bij zijn vertrek naar koning Childebert droeg hij de zorg voor zijn bisdom over aan Sint Théliau. Na zijn terugkeer was hij voor een tweede periode bisschop ('Samson de Tweede'); vlak voor zijn dood wijdde hij Sint Magloire tot zijn opvolger.

Na drie jaar droeg hij zijn bisschopsambt over aan Budoc († 7e eeuw; feest 9 december). Maar ook nu is hem de stilte van het gebed niet vergund. Weliswaar vindt hij een eenzame plek, maar de mensen weten hem te vinden en komen met hun geschenken, hun vragen om raad, gebed of genezing onophoudelijk zijn rust verstoren.

Hij gaat naar zijn opvolger, bisschop Budoc, met het verzoek zich verder weg te mogen terugtrekken, zodat hij ongestoord zich kan wijden aan het kluizenaarsleven. De bisschop zegt zijn verzoek te begrijpen, maar kan er toch niet mee instemmen: ‘Ik zie heel goed hoe zich wijdt aan het gebed en hoe God daarmee geëerd wordt. En ik herinner mij ook dat ik op Gods aanwijzing uw plaats heb ingenomen, zodat u zich geheel en al aan dit leven kunt geven. Maar tegelijk staat het mij voor de geest, hoe Gods Zoon de rust van de hemel achter zich heeft gelaten om zich onder de mensen te begeven. Hij heeft zich weliswaar enige tijd teruggetrokken in de woestijn, maar dat was alleen om zich des te beter voor te bereiden op zijn taak onder de mensen. En die taak betrof niet alleen zijn eigen joodse volk, maar strekte zich zelfs uit tot de heidenen. En als ik Hem dan bezig zie, met hoeveel goedheid Hij bereid is zelfs verdwaalde of verloren schapen op zijn schouders te nemen en naar de schaapsstal terug te draaien… Dan vrees ik dat de rust waarnaar u verlangt ten koste gaat van het heil van de zielen. De Goede Herder heeft zich voor ons opgeofferd, en wij worden uitgenodigd Hem daarin na te volgen.’

Toch komr er voor Magloire een wending ten goede als een edelman uit de buurt, Loïescon, hem komt opzoeken met de vraag of de heilige man hem kan genezen van zijn weerzinwekkende ziekte. Zijn lichaam is bedekt met open wonden waaruit een afschuwelijk stinkende pus druipt. Hij schrijft de man drie dagen van vasten en gebed voor samen met zijn medemonniken. Vervolgens laat hij een bad klaarmaken van zuiver water. Hij spreekt er een zegen over uit en nodigt de zieke man uit erin af te dalen. Vervolgens wrijft hij met zijn blote handen over elk van de zieke plekken en spreekt telkens hetzelfde plechtige gebed uit. Aan het eind van die behandeling is Loïescon volkomen genezen. Hij heeft weer de huid van een klein kind.

Dit relaas roept herinneringen op aan de genezing van de Syriër Naäman. Zij het dan dat in diens geval de profeet juist niet met zijn handen over de zieke plekken wrijft, wat Naäman wél verwacht had. Voor Naäman was een zevenvoudig bad in de Jordaan voldoende.
[2 Koningen 05]

Loïescon bezit een eilandje niet ver van de kust, het tegenwoordige Sark. Hij besluit uit de dankbaarheid de helft ervan af te staan aan Magloire, zodat deze eindelijk zijn hartenwens kan vervullen, en zich met zijn tweeënzestig gezellen  kan terugtrekken in de eenzaamheid. Nu blijkt dat de vogels en de andere dieren alleen nog maar willen verblijven op de helft waar het klooster staat. Men besluit van helft te wisselen. Met als gevolg dat de vogels en de andere dieren meewisselen. Loïescons vrouw ziet er een teken in van de hemel, en raadt haar man aan het hele eiland aan de heilige weg te schenken.

Eens brak er hongersnood uit op het eiland. Magloire deelde alle reserves en voorraden uit aan de plaatselijke bevolking en de bedelaars die hem zelfs tot hier wisten te vinden. Maar ook die raakten op… De uitkomst kwam op een onverwachte manier. Drie leerlingen van de kloosterschool waren op het strand gaan spelen en hadden een oude roeiboot gevonden. Ze waren erin geklommen en meegenomen door de opkomende vloed. Tientallen kilometers verder spoelden zij aan land. Daar vertelden zij aan hun redders waar zij vandaan kwamen en  dat er thuis zo’n hongersnood heerste. Onmiddellijk rustte de mensen daar een boot uit, tot aan de boord toe geladen met graan en voedsel. Op Sark had men zes koppels ossen nodig om alles uit te laden en te vervoeren.

Verering & Cultuur
In 873 komen zes monniken aan de heer van Déhon (niet ver van Dinan) om land vragen om er een kloostertje te beginnen. De heer geeft toestemming op voorwaarde dat ze relieken van een heilige in hun midden hebben. Want in ruil voor het stuk land wil de heer dat de monniken de voorspraak van hun heilige inroepen voor welzijn en welvaart van zijn grondgebied en zijn mensen. De monniken hebben geen relieken.

Na een periode van vasten, boete en gebed besluiten zij de relieken van Sint Magloire op het eiland Sark te gaan stelen. Een van hen wordt er naartoe gestuurd. Hij doet het nederige verzoek enige tijd zich te mogen aansluiten bij gebed en heilige levenswandel van de monniken daar. Op die manier sust hij alle argwaan in slaap. Na een week laat hij zich ’s avonds ongemerkt opsluiten in de kloosterkerk. Midden in de nacht licht hij met kinderlijk gemak de steen op van het graf van Sint Magloire. En dan te bedenken dat er destijds zes man voor nodig waren geweest om hem op zijn plaats te krijgen. Als dat geen teken is dat de heilige zelf zijn goedkeuring verleent aan deze operatie… De monnik laadt zijn kostbare vracht op een boot en verdwijnt in de nacht. De volgende morgen wordt de roof ontdekt. Onmiddellijk zetten de monniken de achtervolging in, maar ze worden teruggeslagen door een plotseling opstekende storm. Het is duidelijk, Magloire zelf regisseert vanuit de hemel deze hele operatie en geeft aldus te kennen dat hij op de nieuwe plek begraven wenst te worden.

Toch hebben ze er daar niet lang plezier van gehad. Toen de invallen van de Noormannen  gevaarlijk dichtbij kwamen, hebben de monniken Magloire’s  relieken overgebracht naar Parijs. Lange tijd heeft er een klooster van  Saint-Magloire bestaan.


Bronnen
[000»Gildas:32.69; Aut.1986; BdL.1991p:80; BeL.1936p:103; Brg.1987p:95; Cha.1995; DSB.1979; Gby.1991p:181.225.267.337.504; Lin.1999; Lo1.1837p:338; Nwm.z.j.:jr0575; Roy.1986p:42; Tou.1995p:243; Dries van den Akker s.j./2014.10.23]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen