× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
Johannes 20 over Thomas

Thomas
Overweging bij Johannes 20: 19-29
ontleend aan toespraak 'Jezus als plek bij uitstek van Godsontmoeting'
voor de Werkgroep Ignatiaanse Spiritualiteit. Ignatiushuis Amsterdam / 2002.11.02

Het is twee dagen na Jezus' dramatische dood: de eerste dag van de week, 's avonds. De leerlingen zijn bij elkaar gekropen en hebben zich verscholen achter gesloten deuren. "Uit angst voor de joden", zegt Johannes. Dat is begrijpelijk. Nu de Joodse overheden hun meester te pakken hadden gekregen en ter dood laten brengen, waren ook zij hun leven niet zeker meer. Ze kenden de overheden goed genoeg: die zouden het liefst die hele Jezusbeweging van de aardbodem wegvagen, want ze was God onwaardig!

Bijna zeshonderd jaar lang hadden de joden immers geleerd dat ze zich niet in moesten laten met vreemde invloeden. Dat was de fout geweest van koning Salomo. Die had het goed gevonden, dat de vreemde meisjes in zijn harem hun eigen goden bleven dienen. Maar daarmee was er ook een waarden- en normenpatroon binnengeslopen, dat niet overeenkwam met dat van hun eigen God. Hun God, JHWH, was een God van armen en kleinen. Die liet zich het liefste vereren door barmhartigheid, gerechtigheid en naastenliefde. Terwijl alle andere goden zich het liefst lieten dienen en eren met vruchtbaarheid, macht en oorlog, paarden en wagens, rijkdom en mensenoffers... Zo was het verval bij Salomo begonnen, totdat het een paar honderd jaar later was geëindigd in de Babylonische Ballingschap.

Daarginds, in Babel, was het volk gaan na-denken. Wat was er mis gegaan? En het waren de profeten geweest die nog maar eens herhaalden: 'We waren onze geschiedenis vergeten: toen we arm waren, onderdrukt en vervolgd in Egypte en de woestijn, hebben we om hulp geroepen: en die is gekomen, want zo is onze God. Maar toen we zelf rijk geworden waren en onze buren in hun armoede om hulp riepen, gaven we niet thuis. Terwijl het toch ónze kreten waren, die zíj slaakten; het waren ónze eigen pijnen, die zíj nu moesten ondergaan. We wisten er alles van, maar hebben er geen hand naar uitgestoken, terwijl we mogelijkheden genoeg hadden. Op die manier hebben we ons eigen onheil over ons afgeroepen. Zo komt het dat we hier in Babel weer terug zijn bij Af: weer in gevangenschap, weer roepend om hulp...! Laat het een les zijn voor ons. We mogen nooit meer vergeten, dat we het moeten houden bij wat God ons in onze geschiedenis heeft geleerd: "Bemin God en Bemin je naaste , zoals jezelf bemind bent..., of had willen worden, dan zal het ons goed gaan!" Hou het hierbij; blijf rein."

Dat was een kostbare levensles toen ze weer in hun eigen land teruggekeerd waren, maar moesten leven onder vreemde overheersing. Eerst waren het de Perzen geweest. En het devies was: 'Ga niet mee met de Perzen, al zijn ze nog zo machtig en ontwikkeld. Want we zouden weer vervallen in Salomo's fout en ons eigen onheil over ons afroepen!' De Perzen werden afgelost door de Grieken (Alexander de Grote!). Die hadden een verleidelijke cultuur met openbare baden, spelen, filosofie en dramavoorstellingen in adembenemende theaters. En eens temeer bleef het devies: 'Trap er niet in. Ga niet met de Griekse cultuur mee, want wat zij belangrijk vinden, is niet wat wij hebben geleerd van onze God JHWH. Dat is een god van armen en verdrukten. En daar hebben de Griekse goden geen enkele boodschap aan. Blijf eraf. Blijf rein. Hou het bij onze Wet!' En toen de Grieken door de Romeinen werden afgelost, met hun nuchtere recht-toe-recht-aan manier-van-doen: met de kaarsrechte wegen die zij aanlegden, de centrale verwarming in hun huizen en vooral hun Pax Romana (Romeinse Vrede), gebaseerd op de macht van de sterkste en de wapens, was eens te meer het devies: 'Ga niet met ze mee. Houd je er verre van. Ze zijn onrein. Want zij kennen niet de Wet van onze God. Ieder die om welke reden dan ook buiten de Wet van God valt, is onrein en moet je mijden als de pest.'

Dat is de wereld waarin Jezus binnenstapt. En dagelijks komt hij de slachtoffers van deze levensvisie tegen. Mensen die gediscrimineerd worden, buitengesloten, ook uit de Tempel. Aan wie gezegd wordt dat ze God in hun onreinheid niet onder ogen mogen komen, want het zou niet alleen hun eigen dood zijn, maar de dood van ons allemaal: dus wegwezen! Zorg eerst maar dat je weer rein bent.

En voor die onreinen had Jezus het opgenomen. Hij kende hun verdriet, en hun verlangen naar verlossing. En sloot zich bij hen aan. Meteen al met zijn doop in de Jordaan. Het zal zijn handelsmerk worden, vooral in de ogen van zijn tegenstrevers: 'Hij eet met tollenaars en zondaars. Hij verontreinigt onze godsdienst. Hij begaat de zonde van Salomo. De man is een gevaar voor onze godsdienst. Hij zal Gods toorn nog over ons afroepen, want Hij propageert wat onze voorouders zeshonderd jaar lang hebben vermeden: omgang met onreinen!'

Het conflict is hoog opgelopen, en uiteindelijk hadden de Joodse overheden overwonnen. Ze hadden Jezus te pakken gekregen, en ter dood laten brengen. En God had niet ingegrepen. Daaraan kon je zien, dat Jezus het echt bij het verkeerde eind had gehad. Pech gehad voor die leerlingen, die een tijdje hebben gemeend, dat er voor hen genade en barmhartigheid was bij God. Nu moesten ze inzien, dat hun meester fout was geweest. En als ze het niet inzagen, dan zouden zij, de Joodse overheden, wel zorgen dat ze het inzagen. En zo zaten die leerlingen nu bij elkaar weggekropen achter gesloten deuren.

Misschien zaten ze ook wel achter de gesloten deuren van hun schaamte. Want het is natuurlijk altijd erg, als er iemand van wie je houdt, sterft. Bijvoorbeeld, na een langdurig ziekbed, als je het lang van tevoren kunt zien aankomen. Nog erger is het, wanneer iemand plotseling overlijdt, en zeker als dat door bruut geweld gebeurt. Met boos opzet. En het allerverschrikkelijkste is, dat je vriend en meester is omgebracht, je stond erbij en je hebt er niks aan gedaan! Ze moeten zich doodgeschaamd hebben. Want toen het te heet werd onder hun voeten, zijn ze er allemaal vandoor gegaan, en hebben ze Jezus doodgewoon laten barsten. En daar zaten ze nu... Met de dood in hun ziel.

En dan staat er bijna nuchter, dat Jezus in hun midden verscheen met de woorden: "Vrede zij u."

Ik praat over dingen waar ik niets van afweet, maar als ik Jezus zou zijn geweest, en ik zou het vermogen hebben gehad uit de dood op te staan en naar mijn vrienden terug te keren, dan zou ik ze toch zeker met enige dreiging in mijn houding hebben gevraagd de gang van zaken van de afgelopen dagen nog eens grondig te evalueren. Ik zou de nodige appeltjes met mijn leerlingen te schillen hebben gehad na alles wat er was voorgevallen... Maar bij Jezus zelf: niets van dat alles. Alleen die vredewens. En dat na alles wat er gebeurd was. Hoe is het mogelijk!

Om hun te tonen, dat ze geen spoken zien, en dat echt Hij het is, die hun vrede wenst, toont Hij hun de wonden die Hij de afgelopen dagen had opgelopen, en waarvan de littekens duidelijk zichtbaar zijn. De leerlingen zijn zielsgelukkig. En nogmaals wenst Hij hun vrede. Hij blaast over ze, schenkt ze zijn Heilige Geest en bevestigt dat met de belofte: "Aan wie je de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie je ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven." Dat is nog al wat, want voor een rechtgeaarde jood, was het God alleen die zonden kon vergeven. En nu mochten zij dat blijkbaar namens God gaan doen. Zíj! De mislukkelingen. Waar haalt Jezus het lef vandaan, om aan dit stelletje ongeregeld zo iets groots toe te vertrouwen!? Ze hebben immers juist de afgelopen dagen laten zien wat zij werkelijk waard waren? Over vertrouwen gesproken... Niet te geloven.

En gelukkig, omwille van ons, was de leerling Thomas niet van de partij. Zijn vrienden weten niet hoe ze hem moeten duidelijk maken, wat hun is overkomen. Hoe zullen ze door elkaar gepraat hebben, met gebaren, geschreeuw, geroep, met iets van een bevrijd gemoed en een ontspannen lach, denk ik. Thomas kan zijn ogen niet geloven. Wat is er in 's hemelsnaam in zijn vrienden gevaren? Ze hebben de Heer gezien, zeggen ze. En Hij wenste hun vrede, zeiden ze. Jaja, moet Thomas gedacht hebben. Dat zou maar makkelijk zijn. Nee, zo gemakkelijk komen we er niet van af. Allicht, begrijpelijk is het wel, wat zij roepen. Thomas zou maar al te graag geloven dat het waar was. Geen schuld meer, geen herinnering die op je ziel drukt als een zware last, geen pijn meer... Maar dat kon immers niet. Toch bleven zijn vrienden maar vertellen en roepen en volhouden en opgelucht zijn... Voor Thomas was het vooralsnog zo duidelijk als wat, dat bij hen de wens de vader van de gedachte was. Natuurlijk hadden ze Jezus niet zelf gezien: het was een droombeeld geweest. Ze wílden graag dat zij Hem gezien hadden en nu begonnen zij het zich al te verbeelden...

Maar áls..., áls het waar was wat zij zeiden (maar dat kon natuurlijk niet!)... Toch, áls het wel waar zou zijn, dan hadden ze oog in oog gestaan met iets dat alleen maar van God zelf afkomstig kon zijn: zoveel vergeving; zoveel vertrouwen; zoveel trouw. Nee, dat was onmogelijk en ongehoord. En daarom zei Thomas: 'Ik kan het alleen maar geloven, als ik de wonden in Hem zie, die wij, wíj Hem hebben toegebracht! Als ik ze met mijn vinger kan aanraken, en mij ervan kan overtuigen, dat Hij het echt zelf is. En áls Hij het zou zijn - wat ik nog steeds niet kan geloven, maar áls Hij het is, dan zijn wij getuige van dingen, die nog nooit een mens zo heeft mogen ervaren.'

Een week later waren ze weer bijeen, en weer waren de deuren gesloten! Onbegrijpelijk eigenlijk na alles wat ze de vorige week hadden meegemaakt. Was het dan toch nog niet zo tot hen doorgedrongen? En nu was Thomas erbij. En weer stond Hij in hun midden met zijn wens: 'Vrede zij u.' En Hij wendde zich tot Thomas: 'Kom en zie.' Juist zo had Hij aan het begin van het evangelie de eerste leerlingen bij zich uitgenodigd: 'Kom zelf maar kijken. Steek je vinger in mijn wonden. Ik ben het echt. Dezelfde die jullie zoveel pijn hebben berokkend. Wat Ik hier nu geef aan jullie, geef dat door aan anderen: Heilige Geest. Vergeving. Trouw. Vertrouwen. Vanaf nu ben Ik er zeker van, dat je je op precies dezelfde manier onder de mensen zult begeven, zoals Ik het altijd heb gedaan; zoals Ik het van de Vader had geleerd. Vergeef, en de Vader zal zich bij je vergeving aansluiten. Want het is dezelfde Geest die Hem en Mij en jullie bezielt.'

En dat zegt Jezus, die door hen in de steek was gelaten!? Zij zouden drager zijn van de geest die bij God de hemel tot hemel maakt? Waar hadden ze dat aan verdiend? Niet aan zichzelf. Aan een ongekende trouw. Aan een onpeilbaar vertrouwen, zoals je dat alleen maar bij God kon tegenkomen. Toch?

En Thomas is de eerste die beseft voor welk overweldigend mysterie hij staat: 'Mijn Heer en Mijn God!'

Wat doet nu Thomas uitroepen: 'Mijn Heer en mijn God!'? Een veelheid van dingen: maar op de allereerste plaats de vergeving. Het lijkt wel alsof Jezus hier wordt getekend als Psalm 103 in eigen persoon:

'Ik wil Hem noemen bij zijn Naam,
de heilige God zo waar als ik leef.
Hij is de vergeving van mijn zonden,
Hij zal mij genezen, keer op keer.
Hij roept mijn leven weg uit het graf,
omgeeft mij met goedheid en tedere liefde.
Hij maakt mijn dagen vol van geluk...'

Maar bij nader toezien is er niet alleen zomaar vergeving, maar vergeving omgezet in liefde en vertrouwen. Waar de leerlingen ernstig in gebreke waren gebleven wat mede tot Jezus' dood had geleid, komt diezelfde Jezus hun vrede wensen, en zeggen dat Hij zijn zending voortaan aan hen toevertrouwt...!!!??? Dat is inderdaad om van je stoel te vallen van verbazing. Dat is bovenmenselijk.

Er zit dus ook in: het vermogen om pijn, littekens, om te zetten in liefde en vertrouwen. Uiteindelijk zijn dit allemaal aspecten van het grote opstandingsmysterie: dat Goed sterker is dan Kwaad; Liefde sterker dan het Kwaad; Leven sterker dan de Dood.

De schrijver van dit verhaal, Johannes, tekent daarbij uitdrukkelijk aan, dat dit Gods mentaliteit is, en dat die niet was voorbehouden aan dat ene moment, maar dat die zich uitstrekt tot alle gelovigen. Hij zegt het zo: "Omdat je mij gezien hebt, geloof je, Thomas? Zalig zij die niet zullen zien, maar het toch geloven." Dat zijn wij! Wij worden uitgenodigd te geloven dat in Jezus' ontmoeting met Thomas Gods mentaliteit getekend is, en dat die er voor iedereen is. Johannes zegt het zo: "Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan in het bijzijn van zijn leerlingen, welke niet in dit boek zijn opgetekend. Maar deze hier zijn opgetekend opdat jullie mogen geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, én opdat je - door te geloven - leven mag bezitten in zijn Naam." Zie je dat slaat op ons. Wat Thomas overkwam, ligt klaar voor ieder van ons. En laten we eerlijk zijn: beantwoordt dat niet aan een diep verlangen in onszelf?


© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen