× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
'Ook ik kende hem niet'

Ook ik kende hem niet....
Mijmeringen van Prochorus
Door Anneke van der Werff - Verbraak
Numeri 6: 24; Lukas 9: 51-55; Johannesevangelie; Handelingen 6: 1-6, 17, 22-34; Legenda Aurea; Eusebius' kerkgeschiedenis

"Zal ik het vuur nog wat opstoken, Vader Johannes? Het begint weer wat frisser te worden." Met deze woorden verbreekt Prochorus de langdurige stilte. Zonder op antwoord te wachten gooit hij een houtblok op het smeulende vuur, zodat de vlammen hoog oplaaien. Peinzend kijkt hij naar zijn meester, die daar nu al uren zit. Een tanige gestalte, iets ineengedoken, het hoofd steunend op de lange magere handen.

Hoe anders dan vanmorgen in de zondagviering. Kaarsrecht stond hij toen, de handen uitgestrekt, terwijl hij de zegen uitsprak over de gelovigen: "Moge de Heer u zegenen en u behoeden! Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! Moge de Heer zijn gelaat naar u toekeren en u vrede schenken!"

Een handjevol gelovigen was er maar, helaas, maar die er waren gingen gesterkt naar huis. Vader Johannes had het zo mooi gezegd: "Het gaat om de liefde van de Vader. Het gaat niet om de liefde van de wereld, niet om de liefde van Artemis, en de andere goden. Verkoop jezelf niet aan de afgoden hier in Efese. Het begeren van de lust en van de ogen en de hovaardij van het geld, het komt niet van de Vader, maar van de wereld. En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid..."

Prochorus had zichzelf aangesproken gevoeld. Zijn gedachten gingen terug naar zijn jeugd in Athene. Hoe zijn ouders daar vaak hadden geofferd aan de goden, voor een goede oogst, voor vruchtbaarheid van hun veestapel en van henzelf, voor gezondheid en rijkdom. En het offeren had hun geen windeieren gelegd. De familie was rijk en welvarend geworden. Er waren veel kinderen, die allemaal goed terecht gekomen waren. Zelf had hij het geluk gehad onder een goed gesternte geboren te zijn. Zijn broer die boven hem kwam hadden ze op jonge leeftijd moeten offeren in een periode van grote droogte in de stad. Daarna was het gaan regenen, en zo kon je zien dat dit offer welgevallig was aan de goden. Althans, zo hadden ze hem uitgelegd. Hij had het nooit kunnen geloven. Konden goden zo wreed zijn dat ze je broertje opeisten in ruil voor regen?? Nu wist hij wel beter. Onze God is de naastenliefde zelf. Die eist geen mensenoffers, maar staat naast je als je verdriet en pijn hebt...

Misschien was het door het verlies van zijn broer gekomen dat zijn ouders hem extra verwend hadden. Hij mocht leren lezen en schrijven, en zelfs naar de school voor retorica. En hij genoot ervan. Regelmatig kwam hij met medestudenten bijeen op de Areopagus om te discussiėren over allerlei filosofische vraagstukken. Daar was het dat hij voor het eerst hoorde over een God die geen eisen stelde, die gewoon van je hield, zoals je was, die je beter kende dan je jezelf kende... Nog heel goed herinnert Prochorus zich de verwarring die hij toen voelde. Over 'jezelf kennen' had hij vaak gediscussieerd. Wie kent je beter dan je jezelf kent? En goden staan toch ver weg, op een afstand en vooral: hoog verheven. En nu staat iemand te vertellen over een God die zo dichtbij is... En het werd nog gekker: die God had zijn zoon gestuurd, die uit de dood was opgestaan... Hij had aanvankelijk de man die dat beweerde hartelijk uitgelachen, maar toch was hij later teruggekomen, om er meer over te horen...

Uiteindelijk was hij zo geboeid geraakt door de leer van Jezus, dat hij meegegaan was naar Jeruzalem, waar het allemaal begonnen was. Na een tijd van voorbereiding was hij daar met nog zes anderen uitgekozen om diaken te zijn, en zo op zijn manier de leer van Jezus uit te dragen. Enige jaren later was hij met Johannes meegegaan naar Efese, omdat hij kon schrijven, en ook nog wat huishoudelijk werk kon doen. Maria, de moeder van Jezus was ook meegegaan, en na haar overlijden had Prochorus het huishouden helemaal overgenomen. Tevens was hij secretaris van Vader Johannes geworden.

Hij had er zijn werk mee. Vader Johannes schreef veel brieven aan christengemeenten uit de buurt. Er waren volop problemen. De gemeenten waren klein, en werden bedreigd van verschillende kanten. Zoals hier in Efese vooral door de heidenen. Prochorus zelf kon zich dat heel goed indenken. De verlokkingen van Artemis waren groot. Vooral seksuele uitspattingen waren aan de orde van de dag. In naam van de godin deed je het met iedereen. Het leven moest gevierd worden, rijkdom was macht, een mooi en gezond lichaam was het belangrijkste. Hij wist het nog zo goed van vroeger.

En juist daarom besprak Vader Johannes vaak met hem welke woorden hij zou kiezen om de mensen aan te spreken. Zo had hij vandaag verteld hoe Jezus de zoon van een Romeinse hofbeambte weer tot leven had gewekt. En Prochorus stelt zich voor hoe het leven van deze Romein volslagen omvergegooid zal zijn, zoals dat ook bij hemzelf het geval is geweest. Een God, die het leven wil van je kind en niet de dood eist. En eens te meer is hij blij dat hij Jezus mocht leren kennen...

Zo vol vuur als Vader Johannes vanmorgen stond te preken, zo stil en ineengedoken zit hij nu. Prochorus kent dit wel van hem. Hij weet wat er gaat komen. Over korte of lange tijd zal Vader Johannes opstaan en zeggen: "Kom Prochorus, we gaan nog een stukje schrijven". En dan zal hij, Prochorus, een nieuw stuk perkament pakken, en datgene wat hij gisteren en misschien eergisteren opgeschreven heeft, opnieuw schrijven, met weer andere woorden. Want Vader Johannes kan maar niet de juiste woorden vinden om uit te drukken wat hij beleefd heeft met Jezus en hoe zijn leven door hem beinvloed is. Soms raakt hij in vervoering tijdens het dicteren, en is het voor Prochorus haast onmogelijk om te verstaan wat hij zegt. En soms moeten ze ophouden omdat Vader Johannes te geėmotioneerd wordt.

Vele perkamentbladen heeft Prochorus al volgeschreven, en bijna evenveel ook weer verscheurd. En geleidelijk aan heeft hij het gevoel gekregen dat hij Jezus een beetje beter leert kennen...

Na uren stilzwijgen staat Vader Johannes op, en zegt:" Ik kende hem niet, Prochorus, ik kende hem niet". Prochorus kijkt verbaasd. Als iemand de Heer kent, moet het Vader Johannes wel zijn...

Hij pakt zijn schrijfveer en het blad perkament, en Vader Johannes dicteert:

"... onder u staat Hij die gij niet kent. Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die mij voor is, want Hij was eerder dan ik. Ik kende hem niet..."

"Weet je Prochorus, Hij had het ons gezegd: 'Heb een open oor voor wat Ik zeg', zei Hij, 'De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van de mensen, Hij moet veel lijden, maar na ter dood te zijn gebracht zal Hij op de derde dag verrijzen...' En wij hoorden het aan, maar we begrepen er niks van. We trokken eens door Samaria, Prochorus, en zoals verwacht moesten die lui niks van ons weten. Ze joegen ons het dorp uit. Jakobus en ik, we konden het niet aanzien. Onze meester, die ook onze held was, zomaar weggejaagd, en nog wel door Samaritanen. We wilden vuur van de hemel afroepen om hen met geweld neer te slaan".

Ondanks de ernst van de situatie moet Prochorus glimlachen. Met moeite kan hij in de statige figuur van Vader Johannes het jeugdig enthousiasme van een opstandige jongeling zien.

"De Heer" herinnert Vader Johannes zich, "wees ons streng terecht. Wat moet er in Hem omgegaan zijn. Wat zal Hij teleurgesteld geweest zijn. Kort tevoren nog had Hij ons proberen duidelijk te maken dat barmhartigheid en vergeving het laatste woord moesten hebben, ten koste van veel lijden, en zelfs de dood. En de eerste de beste keer dat we dat in praktijk konden brengen, wilden we er op los timmeren. Ik schaam me nog als ik er weer aan denk. Schrijf het nog maar een keer op, Prochorus: 'Ook ik kende hem niet... En Hij kende mij beter dan ik mijzelf ken...'"

Hierna vervalt Vader Johannes weer in stilzwijgen. Prochorus peinst over de laatste woorden. Weer voelt hij de verwarring. Zou de Heer hem, Prochorus, ook beter kennen dan hij zichzelf kent? In zijn jeugd in Athene werd hem met de paplepel ingegoten hoe belangrijk zelfkennis was. "Ken Uzelf", was immers het belangrijke woord van het Orakel. Zou het 'kennen' van het Orakel een ander 'kennen' zijn dan het 'kennen' waar Vader Johannes het over heeft? Hij is gewend geraakt aan de cryptische taal van Vader Johannes, die vaak woorden gebruikt met een andere dan de letterlijke betekenis.

Als Vader Johannes weer begint te spreken, lijkt het alsof hij Prochorus' gedachten raadt. "Weet je, Prochorus, de Heer kent ons beter dan wij elkaar en onszelf kennen, dieper, liever, intenser... hoe moet ik dat nou zeggen? Kennen, niet alleen met je verstand, maar met heel je wezen, door en door, vergelijkbaar met liefhebben, met intimiteit, zelfs met seksuele omgang, snap je dat, Prochorus?" Bij elk volgend woord begint Vader Johannes' gezicht meer te stralen. Prochorus aarzelt. Als hij de vervoering op het gezicht ziet, en de hartstochtelijke toon in de stem hoort, kan hij wel enigszins aanvoelen wat Vader Johannes bedoelt, maar of alleen de woorden duidelijk genoeg zullen zijn voor de gelovigen, betwijfelt hij. Zij kunnen de emoties immers niet van het perkament af lezen.

Vader Johannes ziet de twijfel op zijn gezicht. "Jezus", mijmert hij, "is als een goede herder voor de schapen. Schrijf dat op Prochorus, 'Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij. De schapen zullen mij volgen, omdat ze mijn stem kennen. Een vreemde zullen ze niet volgen; integendeel, ze zullen van hem wegvluchten omdat ze de stem van vreemden niet kennen...'" Prochorus schrijft en knikt. Dit is taal die ontleend is aan het leven van alledag. Dit zullen de lezers begrijpen.

Het is al laat in de avond als hij zijn ganzenveer neerlegt. Vader Johannes ziet er moe, maar blij uit. Prochorus heeft nog een brandende vraag. Hij aarzelt even, maar waagt het dan toch hem te stellen. "Vader Johannes, zullen wij ooit kennen zoals wij door hem gekend zijn?" Vader Johannes hoeft niet lang over het antwoord na te denken. " Wij kennen God als wij ons houden aan zijn geboden, als wij leven zoals Jezus geleefd heeft. Het klinkt misschien wel oud en afgezaagd, Prochorus, het was immers al de boodschap vanaf het begin. Maar met Jezus is die weer nieuw geworden. Kijk naar het gezicht van je naaste, met liefde, barmhartigheid en vergeving, en dan zul je God zien.

Dan zullen wij werkelijk kennen zoals wij gekend zijn, Prochorus, en dan begint er een nieuw leven..."


© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen